Deze site is 'Under Construction', nog even geduld
Doorsnede klappersteen. De leemkern met er om heen de opbouw ijzererts.
Doorsnede klappersteen. De leemkern met er om heen de opbouw ijzererts. Foto: Gemeente Apeldoorn via wikimedia CC BY-SA 3.0

Milieuschade en conflicten bij de historische ijzerindustrie in Montferland

Regelmatig komen de hoogovens in IJmuiden in het nieuws vanwege de milieuschade die zij veroorzaken. Hoe zit dat bij de vroeg historische ijzerindustrie, veroorzaken zij ook milieuschade en wordt hier weleens over geklaagd?

Vroeg historische IJzerproductie

In Montferland zijn de restanten van grootschalige ijzerproductie uit de negende tot elfde eeuw gevonden. Het betreft hier slakkenhopen en ijzerkuilen. De productie gebeurde in die tijd met zogenaamde laagovens. Hierbij blijft het ijzerproduct, Wolf genaamd, na verbranding in vaste toestand achter in de oven. Het slak, het restmateriaal smelt wel tijdens het productieproces en stroomt de oven uit. 

Voor de productie wordt in deze tijd gebruik gemaakt van klapperstenen als erts. De stenen krijgen deze naam doordat deze stenen vaak een losse  kern hebben waarmee je kunt rammelen. De ovens worden gestookt op houtskool. Voor het verkrijgen van houtskool maakt men gebruik van eikenhout. Het hout wordt verbrand in zogenaamde Grubmeilers. Een schatting is dat er in totaal 1200 hectare eikenbos nodig is geweest (tien ton per hectare) voor de totale productie Aangenomen wordt dat er waarschijnlijk om de vijftien jaar een vast oppervlakte van het eikenbos van circa 60 hectare is hergebruikt. De invloed op het bosrijke gebied is daarmee gering geweest.

Er zijn slechts twee nederzettingen in Montferland ontdekt tijdens archeologische opgravingen: in de omgeving van Wehl en Didam. Onderzoek aan de klapperstenen en slakken uit bovengenoemde plaatsen heeft de volgende ruwe schattingen opgeleverd betreffende de minimale hoeveelheden slakken (12.000 ton), de totale ijzerproductie (6000 ton), de opbrengst (50 – 65%) en de houtskool-behoefte (12.000 ton). Veel van de de slakkenhopen zijn begraven of liggen onder de bebouwing van dorpen zoals Wehl, Didam, Kilder en Beek. Er zijn uit deze tijd geen bronnen bekend die wijzen op enig ervaren overlast van de productie.

Moerasijzererts. Foto: Olga Spekman CC BY 4.0

Een hoogoven in 1689 voor militair materieel

Vanaf de late middeleeuwen vinden er technische vernieuwingen bij de productie van ijzeren voorwerpen of materialen plaats. Zij hangen onder andere samen met een toenemende gebruik van waterkracht. Hierdoor wordt de opkomst van hoogovens mogelijk. Bij het winnen van ijzer in een hoogoven smelt het ijzer zelf en kan het ook worden gegoten. Josias Olmius is een gewiekste ondernemer die zijn sporen al heeft verdiend als zeep en glasfabrikant in Rotterdam. Hoogst waarschijnlijk krijgt hij via handelscontacten kennis van de nieuwe ijzerproductiemethode. Het is in de zeventiende eeuw een roerige tijd waarin Nederland met diverse mogendheden in oorlog is, zoals de zeeoorlog met Engeland en de inval van Frankrijk met een aantal Duitse vorsten in de Noordelijke Nederlanden. Voor het militair materieel is men echter afhankelijk van partners in het vijandelijke kamp.  Olmius realiseert zich dat het van groot belang is dat de Noordelijke Nederlanden zelf hun militair materieel uit gietijzer kunnen maken. Door familiecontacten weet hij dat er in de Achterhoek winbaar moeraserts is te delven en dat er in Doetinchem nog oude molenrechten vrij zijn van het voormalige klooster Bethlehem. Daarbij is de omgeving bosrijk waardoor er voldoende houtskool kan worden verkregen. Na onderhandelingen met de Staten van Zutphen en de magistraat van de stad Doetinchem krijgt Olmius in 1689 toestemming om in de omgeving van Gaanderen ijzeroer te gaan delven en te verwerken in een ‘ijsermole’. Hij moet de stad daarvoor een pachtsom van 200 gulden per jaar betalen. Het is een hoogoven welke dun vloeibaar ijzer oplevert. De producten zijn bommen, kogels en granaten en ook huishoudelijke gebruiksvoorwerpen.

Overlast in de Achterhoek

Er ontstaat al snel een conflict met baron Frederik van Baer to Slangenburgh. Het graven van oer neemt ongehoorde vormen aan en de landerijen en heidevelden worden aangetast. Bepaald wordt dat Olmius 500 tot 600 voet (150 tot 180 meter) van de grachten van Slangenburg verwijderd moet blijven. Nog tot in 1699 zijn hierover kwesties, want in dat jaar laat Van Baer een wagen met uitgegraven oer weer leegkiepen op de heide. Daarnaast betaalt Olmius de pacht aan de stad niet. Om verdere overlast te voorkomen worden er beperkingen opgelegd met betrekking tot het storten van slakken. Tevens is het gebruik van waterkracht beperkt tot de periode van november tot mei. Uiteindelijk zal het gehele bedrijf in 1809 verhuizen naar Laag Keppel. Het ijzeroer is in de directe omgeving dan inmiddels vrijwel uitgeput en mag, wegens landschappelijke redenen, niet meer worden gedolven.

Huis waar eerst de IJzermolen van Olmius heeft gestaan. Foto: Olga Spekman CC BY 4.0
Huis waar eerst de IJzermolen van Olmius heeft gestaan. Foto: Olga Spekman CC BY 4.0

Bronnen:

  • Ijzeren verhalen uit de Achterhoek, Dik Nas en Rob Redelijkheid. , uitgaven Mr H.J steenbergen-Stichting 2018, ISBN 978 94 91913 18 1
  • Vroeghistorische ijzerproductie in Nederland door Ronald van Duijvenvoorde , TU Delft 2005

Meer informatie:

  • HEEK, J . H . A . van 1952: De ijzerkuilen van Montferland. Publicatie XII N G V , 230-234.
  • IJZER UIT EIGEN BODEM Cees Laban, Henk Kars, en Anthonie Heidinga Grondboor en Hamer, jrg. 42, no. 1, p. 1-11, 12 fig., februari 1988

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

We hebben zorg genomen om alle rechthebbenden voor hier gereproduceerde foto's te traceren, soms evenwel zonder succes. Iemand die in dit opzicht meent rechten te hebben wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen met de redactie van de Erfgoedstem.