Bij Nederlands erfgoed denken we vaak aan molens, oude kastelen en tradities als sinterklaas en Koningsdag. Maar een deel van ons erfgoed komt ook uit andere landen en culturen. Objecten, tradities en gebruiken die migranten vanuit hun eigen land hebben meegenomen naar Nederland, of die ze hier eigen hebben gemaakt maken ook onderdeel uit van Nederlandse cultureel erfgoed. Echter is dit type erfgoed nog vaak onderbelicht en wordt er weinig rekening mee gehouden bij beleid en dialogen. Vandaag praten we met Martin van Engel, adviseur diversiteit en inclusie, over het erfgoed van migrantengemeenschappen en hoe de erfgoedsector hier meer aandacht aan kan besteden.
Martin is nu drie jaar zelfstandig adviseur diversiteit en inclusie, en werkte daarvoor bij organisaties als het Van Gogh Museum en Imagine IC in Amsterdam. “Kloven dichten en contacten stimuleren met en tussen verschillende culturen is een blauwdruk in mijn werk. Zo heb ik ook veel met jongerenparticipatie gedaan en daarmee verschillende vormen van erfgoed, zoals straatvoetbal en straattaal, een podium gegeven.” Daarnaast is Martin lid van de Nederlandse Unesco Commissie, waar hij onder andere heeft meegewerkt aan het onlangs verschenen rapport over de kracht en innovatie van ‘the culture’: de migranten- of diasporische stadscultuur.
Scooter uit de jaren ‘90
Nederland kent veel migrantengemeenschappen, maar wat houdt zo’n migrantengemeenschap precies in? Volgens Martin zijn er verschillende definities voor. “Je kan vanuit etnisch oogpunt kijken naar zo’n gemeenschap, dus Surinaamse of Turkse mensen die hier in Nederland wonen. Maar ook mensen met hun roots in andere landen buiten Europa kunnen onderdeel zijn van een migrantengemeenschap.”
Er is nog weinig zicht op het erfgoed van deze gemeenschappen, wat voormalig staatssecretaris Uslu ook opmerkte. Zij gaf de opdracht om het erfgoed uit migrantengemeenschappen en regionale gebieden meer in kaart te brengen, om zo een totaalbeeld te krijgen van het Nederlandse cultureel erfgoed. Onder dit type erfgoed vallen materiële als immateriële goederen die migranten naar Nederland hebben gebracht, maar ook dingen die hier in Nederland een nieuw verhaal of betekenis hebben gekregen dankzij deze gemeenschappen.
Als voorbeeld noemt Martin de Gilera Citta: een scooter die in de jaren ‘90 en 2000 niet weg te denken was uit het straatbeeld. “Alle stoere jongens reden op een Gilera, het is mobiel erfgoed. Als je nu aan iemand met migratieroots vraagt wat een Gilera is, komen er al snel veel herinneringen naar boven. Het staat symbool voor de straatcultuur uit die tijd en werd veel gebruikt door jongeren uit migrantengemeenschappen.”

Een tafel voor de erfgoedsector
Dat dit erfgoed nog weinig aandacht krijgt komt doordat we veel in bubbels leven en werken, legt Martin uit. “Binnen die bubbels heeft iedereen weer een eigen netwerk, zo ook in de erfgoedsector.” Als metafoor gebruikt hij het restaurant waar we zitten. “Als deze hele ruimte Nederland is, dan zit de erfgoedsector maar aan een tafel en kennen ze de andere tafels niet of niet goed. Mensen kunnen er niks aan doen dat ze aan een bepaalde tafel zitten, want het heeft ook te maken met hoe en waar je bent opgegroeid. De truc is dan om te kijken hoe je die andere tafels benaderd.”
Ruimte voor nieuwe verhalen
Terug naar de opdracht van de voormalige staatssecretaris. Via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kwam deze bij Martin terecht, waarna hij een aantal kennissessies organiseerde met migrantengemeenschappen uit zijn eigen netwerk. “Ik heb mensen uit mijn netwerk en omgeving gevraagd om mee te denken over welke objecten er nog meer zijn om de collectie van Nederlands erfgoed compleet te maken. Daar zijn bijzondere gesprekken uit voortgekomen, waarin mensen verhalen over hun eigen migrantenerfgoed met elkaar uitwisselden.”
De behoefte om deze gesprekken voort te zetten en de dialoog rondom migrantenerfgoed te stimuleren was dan ook groot binnen de gemeenschappen. Daarnaast werd duidelijk dat de beleids- en erfgoedwereld zich meer moet inzetten om de gesprekken te faciliteren en ruimte te geven aan initiatieven voor migrantenerfgoed. “Dit kan door heel letterlijk een ruimte aan te bieden, maar ook door het financieren en stimuleren van verschillende onderzoeken rondom dit onderwerp.”
Martin hoopt dan ook dat beleidsmakers – zowel binnen als buiten de erfgoedsector- in de toekomst vaker met mensen aan tafel gaan zitten die ze in eerste instantie niet zo snel zouden benaderen. “Dat is natuurlijk lastig, want het betekent dat je als beleidsmaker een tafel of stoel moet vrijmaken en moet luisteren, en dat het proces ook trager kan gaan. Maar het zou heel nuttig en waardevol zijn als er veel meer ruimte komt voor andere perspectieven, op wat voor manier dan ook. Het maakt ons beeld van erfgoed compleet.”

