Essay: Dromen van het tuindorp

Van Ojen, E.M. (1923-1927), Zicht op de betonwoningen van Tuindorp De Kossel aan de 2e Balsemienstraat met een vestiging van stoomzuivelfabriek Aurore op nummer 33. Gemeente Rotterdam.

Wat kunnen wij in de huidige tijd bij woningbouwopgaves leren van de ontwerpers en architecten van tuindorpen? Denise Güth, beleidsadviseur bij de gemeente Rotterdam, schreef er vorig jaar voor de leergang Erfgoedfilosofie van de ErfgoedAcademie het essay ‘Dromen van het tuindorp’ over.

Dagdromen. Een heerlijke manier om er even tussenuit te zijn. Staand aan het raam van de kantoortoren van de gemeente Rotterdam, een kopje automatenkoffie in mijn hand en uitkijkend over Rotterdam Zuid gebeurt het mij wel vaker. Mijn gedachten dwalen dan af naar hoe het vroeger, aan het begin van de twintigste eeuw, hier op deze plek was. Zo veel anders dan nu is het beeld dat ik dan zie niet. Op de straten is het nog steeds een drukste van jewelste: arbeiders, zeelieden en voertuigen ijlen over drukke kades. Er zijn geen bouwkranen te zien maar voor de tijd hypermoderne graanelevatoren die in een mum van tijd schepen ontladen.

En net achter de drukke kades en havens liggen de woonwijken voor de nieuwe
havenarbeiders uit het zuiden van Nederland en hun gezinnen. Deze zijn anders dan in de stadswijken op de noordoever van Rotterdam waar mensen in donkere alkoofwoningen op elkaar gepropt woonden. Hier op Zuid zijn de woonwijken met de tuindorpgedachte gebouwd. Als resultaat kleinschalige bebouwing in een groene setting met vaak een kleine eigen tuin voor de bewoners. Verspreid in de buurt op strategische plekken enkele gemeenschappelijke voorzieningen. De buurt is een totaal ontwerp van werken, wonen en verblijf. Het doel niet alleen huisvesting maar het creëren van een zetting die in positieve zin bijdraagt aan de vorming van de goede burger. Om deze gedachte tot uitvoering te brengen werd volop geëxperimenteerd. Zij het nou met het stedenbouwkundige opzetten van de wijk, de diversiteit aan woningplattegronden, en nieuwe bouwmaterialen en constructiemethoden. De zoektocht naar deze haast utopische gedachte en de nagestreefde ambitie van de projecten verdient ook hedendaags nog onze waardering.

Met een zucht draai ik mij weg van het schitterende uitzicht en richt mijn weer naar het computerscherm. Voor de zoveelste keer een sloop-nieuwbouwplan die het einde
betekent van een voor Zuid zo kenmerkende experimentele woningbouwblok uit de vroeg twintigste eeuw. Van ambities en idealen is in het voorliggende plan weinig te zien. Een zielloos ontwerp dat geen aansluiten zoekt bij de architectuur, structuur of geschiedenis van de wijk. Aan het gehele plan is af te lezen dat maximalisatie van de in het bestemmingsplan toegestane bouwmassa en productie van zo veel mogelijk standaard wooneenheden het uitgangspunt zijn. De negentiende-eeuwse bouwspeculanten die zo veel alkoofwoningen aan de noordoever van de Maas produceerden zouden trots zijn op deze winstmaximalisatie. De pioniers van Zuid daarentegen draaien zich uit schaamte om in hun graf. Wederom wordt er vooral huisvesting georganiseerd. Blijkbaar zijn wij in honderd jaar tijd vergeten dat het bouwen ook anders kan. Hoe kan de vernieuwende tuindorpgedachte van de vroeg twintigste eeuw, toen er ook een grote woningbouwopgave was, bijdragen aan de hedendaagse opgave?

De woningbouwopgave in Nederland op dit moment is groot. In de Nationale Woon- en
Bouwagenda wordt gesproken over een woningcrisis en de noodzaak om 900.000 nieuwe woningen te bouwen die betaalbaar en kwalitatief goed zijn. Er moet meer, goedkoper en voor de toekomst, met andere woorden duurzamer en klimaatbestendig, gebouwd worden. Terwijl deze doelstellingen in zichzelf niet negatief zijn, leidt deze in de praktijk tot de onderbouwing om de bestaande sociale woningvoorraad uit de vroege twintigste eeuw te slopen. De sociale woningbouw uit die tijd bestaat uit kleine woningen net buiten de groeiende stadscentra. Na een eeuw hebben zij vaak een onderhoudsachterstand of bouwtechnische problemen. Potentieel een perfecte plek om te vernieuwen en te verdichten. Met voor de winst gemaximaliseerde nieuwbouw.

Laat Bloemhof nou net zo een wijk zijn waar de gevolgen van de nieuwe bouwwoede
duidelijk afleesbaar zijn. Bloemhof is een wijk van tuindorpexperimenten. Niet alleen
nationaal en internationale bekende woningbouwcomplexen staan in deze wijk.
Voorbeelden zijn Patrimoniumshof—gebouwd in 1915 door woningbouwcoöperatie
Patrimonium—en de Kiefhoek van architect J.J.P. Oud. Ook het gemeentelijke tuindorp, complex Stuhlemeijer, en complex Kossel zijn in volle pracht te bewonderen tijdens een wandeling door de wijk. Al deze complexen, die van elkaar zeer verschillend zijn in architectuur, materiaal, en bouwmethodiek delen een basisovertuiging. De overtuiging dat de fysieke leefomgeving invloed heeft op het gedrag van mensen. De goede leefomgeving zal bijdragen aan de vorming van een goede burger.

Goed burgerschap is al sinds eeuwen een zoektocht van de mens. Hierbij ligt de nadruk vaak op de persoonlijke ontwikkeling van het individu binnen de gemeenschap. Sinds de late achttiende eeuw wordt er ook aandacht gegeven aan de fysieke leefomgeving en het effect hiervan op het gedrag van mensen. In de afgelopen eeuw zijn steeds meer onderzoeken gedaan naar de effecten van ruimtes, kleuren, licht en natuur in relatie tot productiviteit, humeur en gezondheid van de mens en de interactie tussen mensen. De onderzoeken tonen aan dat onze leefomgeving veel meer effect heeft op ons dan wij denken. Zowel in positieve als in negatieve zin. De nabijheid van groen stimuleert ons te bewegen, trappenhuizen nodigen uit voor sociaal contact, terwijl rechthoekige ruimtes geven ons een opgesloten gevoel. Wij krijgen steeds meer inzichten in de neurologische werking van architectuur en buitenruimte die het mogelijk maken om betere leefklimaten te creëren. Het klinkt als een wensdroom dat een gebouw, de straat of het wijkparkje bijdragen aan de vorming van een goed en gelukkige mens.

Maar het is zeker geen nieuwe gedachte. Al aan het begin van de twintigste eeuw werd
er gezocht naar de perfecte leefomgeving in de stad voor zijn burgers. In het kader van
deze zoektocht werd door stedenbouwkundigen en architecten op verschillende manieren geëxperimenteerd met de tot hun beschikking staande middelen. Met als resultaat bijzondere wijken zoals Bloemhof. Hoe kan het gedachtegoed van toen bijdragen aan de hedendaagse bouwopgave?

De samenleving is sinds het begin van de vorige eeuw veranderd, kent nieuwe
uitdagingen en heeft andere behoeftes. In de hoogtijd van individualisme is het antwoord in de bouwwereld: standaardisatie. Nog nooit eerder had de mens zo veel kennis tot zijn beschikking en toegang tot verschillende (bouw-)materialen. Met al die mogelijkheden en kennis wordt voor de gemiddelde Nederlander –wie dat dan ook is– gekozen voor pragmatische plattegronden, herhalende stratenpatronen, onderhoudsarme tuinen en pleinen. Wat zijn wij toch gek bezig!

Hoe zou het zijn als de pioniers van het Zuid van toen weer aan het roer stonden: nieuwe experimenten op zoek naar de juiste invulling van een specifieke plek. Een plek die bijdraagt aan een veilige en aantrekkelijke verblijfsruimte voor de samenleving. Het maken van een plek van herkenning, een thuis.

Kan de utopische gedachte van het tuindorp om iets extra’s bij te dragen aan de samenleving ons opnieuw aansporen om het beste uit onszelf te halen? Dit vraagt ons om het bijzondere erfgoed te erkennen en met elkaar —woningcorporatie, stedenbouwer, landschapsontwerper en planologen— op te trekken in het bereiken van de doelen die verder gaan dan alleen percentages, vierkante meters en bouwhoogtes. Laten wij samen weer de onderzoekende houding aannemen en het ideaal van de tuindorpgedachte van toen omarmen. Misschien verliezen wij dan het erfgoed van de vroeg twintigste eeuw woningbouw niet maar creëren wij het opnieuw. Maar misschien ben ik dan ongemerkt toch weer aan het dagdromen.