Ingezonden: De hofjesmentaliteit in Groninger favela’s

In de afgelopen week verbleef ik in de stad Groningen. Tussen de middag was het genieten van de prachtige architectuur en monumenten die de stad rijk is. Omdat ik dol ben op gasthuizen, de zogenaamde parels in de stad, heb ik ze in twee dagen bijna allemaal bezocht. Nu moet ik zeggen dat ik vrij kritisch van aard ben. Een Fries die iets negatiefs gaat zeggen over Groningen? Ik zal niet de eerste zijn, maar ik moet vermelden dat mijn roots in Groningen en Ommelanden liggen en hopelijk rechtvaardigt dat enigszins deze kritische toon.

Parels in de stad? Dat zouden het zeker kunnen zijn. Sommige gasthuizen, en dan met name de oudsten, worden over het algemeen aardig onderhouden en bewoners zien ook vaak de historische waarde in van het complex waar zij wonen en voelen zich betrokken bij de uitstraling van hun woonomgeving.

Als je de jongere, 19e eeuwse, gasthuizen bezoekt valt het op dat hier veel minder aandacht wordt besteed aan de historische uitstraling. Waar gaat het zoal over? Over het algemeen is het schilderwerk in slechte staat, het is er vies, in prachtige armaturen worden de meest vreselijke spaarlampen gedraaid. Ook worden de, ooit zo mooie, binnentuinen niet gemaaid, gesnoeid en staat het er vol plastic meubilair, vuurkorven, zelf gefabriceerde tuinkasjes en in verschillende gasthuizen is het blijkbaar een must om je enorme Boeddha-verzameling op je stoep tentoon te stellen. Ook is het een trend om verschillende bloembakken en potten voor je deur te zetten. Het liefst zoveel mogelijk en in alle kleuren en groottes! Kapotte ruiten, afval, onkruid, een vergeelde vlag van Jamaica voor je raam en het liefst bij iedereen een verschillende buitenlamp. Het ontsiert en het kan allemaal.

De gasthuizen missen vaak de uniformiteit van weleer en worden uitgeleefd en zeker aan hun lot over gelaten door eigenaar en of huurder. Het wonen in een monument is niet hetzelfde als het wonen in een studentenhuis, maar het brengt nu eenmaal lusten en lasten met zicht mee.

Dus, de meeste gasthuizen zijn geen oase van rust of parels van de stad, maar hebben eerder de uitstraling van een 19e eeuwse sloppenwijk.

Als u denkt, “wat overdrijft deze man”, dan hebt u wel een beetje gelijk. Toch is het van belang dat dit soort monumentale woonvormen hun authentieke uitstraling behouden. Niet alleen voor de leefbaarheid van het complex en de buurt, maar ook voor de uitstraling van de stad zelf. Dergelijke monumenten hebben, mits goed onderhouden, een grote aantrekkingskracht op toeristen.

Is het mogelijk om deze verpaupering een halt toe te roepen en met beperkte middelen de gasthuizen weer hun allure terug te geven? Als u eens in Friesland bent, kunt u daar zien dat deze monumenten er prachtig bij staan. Ik noem als voorbeeld het Sint Anthony Gasthuis in Leeuwarden en het vlakbij gelegen Dr. H. Popta Gasthuis in Marsum. Werkelijk paradijzen om in te wonen en te bezoeken.

Is het teveel gevraagd om als eigenaar en of bewoner af en toe de ramen te wassen? Wat onkruid weg te halen? Grasmaaien, snoeien of een gezamenlijke hal te ontdoen van spinrag en vuil? Waarom hebben de woningstichtingen en besturen niet de intentie of interesse om hun monumentale panden in goede staat te houden? Zo een grote opgaaf is het nu ook weer niet en de stad wordt er zoveel mooier van! Bewoners, bestuurders en betrokkenen! Verenig u en laat uw parels glinsteren. Geen uitstraling van een studentenhuis, maar breng de allure terug! Wees trots op uw monumenten.

Artikel: Gunar Reinaut Boon