De frietkraam doet het weer goed in coronatijd: een korte geschiedenis van Nederlands snackerfgoed

Snackbar Heino Beek-Montferland 2020 Foto: Olga Spekman CC-BY-4.0

Door de coronamaatregelen heeft het afhalen van maaltijden een heropleving gekregen. Ook gerenommeerde restaurants zijn overgegaan tot afhaalmenu’s. Sommige restauranthouders overwegen ook na de versoepeling deze service te continueren. Daarnaast doet de frietkraam het weer goed, na een lange periode van afbraak waarbij zelfs de New Kids- snackbar in Maaskantje niet als cultureel erfgoed behouden mocht blijven. Olga Spekman geeft ons een korte geschiedenis van de Nederlandse snackcultuur en pleit voor een herwaardering van de frietkraam.

Buitenshuis eten

Uit publicaties blijkt dat er in de zeventiende eeuw door straatventers in de Hollandse steden etenswaren en dranken worden aangeprezen. Niet al dit etenswaar zal ter plaatsen zijn genuttigd. In de dorpen en kleinere steden zijn de mogelijkheden beperkter. Tijdens de jaarmarkten en kermissen kon men echter ook daar van lekkernijen zoals wafels, oliebollen en poffertjes genieten. In de negentiende eeuw groeien de mogelijkheden om buitenshuis te eten, zoals in herbergen, openbare schaftlokalen, gaarkeukens, koffiehuizen en herensociëteiten. Uit een krantenbericht is naar voren gekomen dat de eerste frietkraam in 1868 in Breda heeft gestaan. De Bredase gebakkraam adverteert met “Pommes de Terre frites” in de Bredase courant. In de jaren dertig vestigen zich meer, van de van oorsprong Belgische frietkramen, in de Noord-Brabantse steden. Aanvankelijk gooit de economische crisis in de jaren dertig roet in het eten van menig lunchroom en restaurant. Om de massamarkt niet te verliezen worden de aanbieders echter gedwongen op zoek te gaan naar (goedkopere) alternatieven en zo ontwikkelden zich de cafetaria.

Andere eetcultuur

In de loop van de twintigste eeuw verandert het eetritme. Er wordt steeds meer buitenshuis gegeten, steeds minder in gezinsverband en minder vaak op vaste momenten. Het aantal eetmomenten neemt toe en het vaste patroon van drie maaltijden per dag verandert in een patroon waar in toenemende mate informeel op individueel gekozen plaatsen en tijdstippen wordt gegeten. Het publiek van de opkomende cafetaria’s bestaan uit haastige reizigers, kantoorbedienden, bioscoop- en theaterbezoekers en winkelend publiek. Automatieken beginnen zich vanaf de jaren dertig te verspreiden in drukke winkelstraten en in stationshallen in diverse grote steden. Via kermissen en markten verspreidt de patates frites zich van het zuiden naar het noorden en ontstaan er frietkramen door het gehele land. De industriële productie en distributie van snacks versnelt de snackcultuur.

Opkomst van de ketens

In de jaren zestig van de vorige eeuw komen vanuit Engeland de eerste hamburgertenten naar Nederland. De eerste Wimpy gaat in Nederland in 1963 open als initiatief van Albert Heijn en het Engelse bedrijf Lyons. Het is een tamelijk luxueus restaurant waar je bediend wordt. In 1971 vestigt zich de eerste Mc Donalds in Nederland. Eveneens in een vorm van samenwerking met Albert Heijn. Het succes komt pas nadat deze vestigingen zich rond 1980 van de stedelijke periferie naar de stadscentra verhuizen. De eerste Burgers King opent in 1981 in Rotterdam. Door de vestiging van deze ketens komt de concurrentie voor de frietkram goed opgang. 

Leve de frietkraam!

In tegenstelling tot de fastfoodketens, waarbij wereldwijd in belangrijke mate dezelfde smaak en inrichting wordt geboden, bestaan de  frietkramen in veel verschillende vormen en op allerlei locaties. Daarnaast kent het aangebodene vaak verschillende smaakvariaties. Deze karakteristieke onderdelen samen bepalen de sfeer en de eigenheid van elke frietkraam afzonderlijk. De sociale beleving, die rond de frietkraam hangt, maakt onderdeel uit van de frietkraamcultuur. Ook de frietkraam bezoekers maken onderdeel uit van de sfeer. Meestal zijn het private ondernemingen waarbij de eigenaar /uitbater een persoonlijke band heeft opgebouwd met zijn klanten. Het is een ontmoetingsplek voor onder andere buurtbewoners en daarmee een belangrijke factor voor de sociale cohesie in een buurt. Voor de Vlaamse minister van Cultuur in België zijn deze argumenten aanleiding geweest om in 2014 de frietkotcultuur  tot het Belgisch cultureel erfgoed te benoemen. 

Het aantal frietkramen, kiosken en wagens met een vaste standplaats nemen in ons land echter flink af. Eind vorige eeuw waren er nog 1500-2000 frietkramen. In 2020 is dit aantal gehalveerd. Misschien krijgt ook de frietkraam (in de open lucht) heden ten dagen een herwaardering. Zij verdient het in ieder geval wel.

Olga Spekman

Bronnen:

Meer informatie: