De Amsterdamse grachtengordel werd in de 17de en 18de eeuw geprezen om zijn schoonheid, maar stonk enorm. Vandaar de omschrijving van ‘schone maagd met een stinkende adem’. Reden voor welgestelde Amsterdammers om ter verfrissing in de zomermaanden hun grachtenpanden te verruilen voor buitenplaatsen rond de stad.
Deze buitenhuizen werden eind 19de eeuw opgenomen in de uitbreidingswijken van de stad. Slechts twee buitenhuizen zijn bewaard gebleven: Amstelrust aan de Amsteldijk en Frankendael aan de Middenweg. Bij archeologisch onderzoek zijn ook verdwenen buitenplaatsen opnieuw gelokaliseerd, zoals Rust en Werk aan de Rustenburgerstraat.

