Het tuindorp: een vreugdevol huwelijk tussen stad en platteland
Aan het begin van de twintigste eeuw ontstond, als reactie op de slechte leefomstandigheden van veel mensen, een nieuw woonideaal: het tuindorp. Geïnspireerd door de Britse denker Ebenezer Howard ontwierpen Nederlandse architecten dorpen en wijken met veel licht, lucht en ruimte. Hier kwamen de voordelen van stad en platteland samen. De Atlas van tuindorpen in Nederland laat zien hoe dit ideaal vorm kreeg in de bouwpraktijk van vóór de Tweede Wereldoorlog.
De atlas behandelt ruim 80 tuindorpen, fabrieksdorpen en tuinwijken, ondersteund door meer dan 400 afbeeldingen en 12 gedetailleerde kaarten. Van Philipsdorp in Eindhoven tot ’t Lansink in Hengelo, van de mijnkoloniën in Limburg tot de tuindorpen in Amsterdam-Noord, en van het Agnetapark in Delft tot Dudoks tuinstad in Hilversum. Samen geven zij een rijk en compleet beeld van de Nederlandse tuindorpen.
In het boek komen verschillende thema’s aan bod, zoals de relatie met de fabriek, woningplattegronden, de toepassing van Howards tuinstadgedachte, de rol van woonopzichteressen als vroege maatschappelijke werkers, en het belang van groen en tuinieren. Ook wordt aandacht besteed aan de sociale idealen achter de tuindorpen, zoals de verheffing van de arbeider, en aan actuele kwesties als sloopdreiging en renovatie.
Veel tuindorpen hebben inmiddels een beschermde status, maar het oorspronkelijke ideaal staat onder druk. Vooral tuindorpen met veel sociale huurwoningen staan er vaak niet goed voor. Tegelijkertijd blijft de aantrekkingskracht van de tuinstadgedachte groot. Het label ‘tuindorp’ of ‘tuinwijk’ wordt in nieuwbouwprojecten gretig gebruikt om in één woord een beeld op te roepen van groen, geborgenheid en gemeenschapszin.

