Een gebouwdetective met een geschiedenisboek

Borgharen. Foto: Jan van Dalen

Sporen uit het verleden zoeken in bakstenen, balken en verborgen constructies; het zal je werk maar zijn, zoals voor Kim Heuvelmans. In haar baan als bouw- en cultuurhistoricus bij BOEi houdt ze zich bezig met bouwhistorisch onderzoek naar oude panden. Door nauwkeurige analyses van onder meer materialen en bouwtechnieken brengt zij in kaart hoe gebouwen door de eeuwen heen zijn aangepast aan nieuwe tijden en functies. Dat helpt om ons erfgoed te begrijpen, te waarderen en verantwoord te behouden. De Erfgoedstem ging in gesprek met Kim over het vak van de bouwhistoricus.

Kim heeft een achtergrond als historicus met een minor in Conservering & Restauratie. In haar tijd bij BOEi mocht ze daar bovenop de opleiding Bouwhistorie & Restauratie volgen. Nu voert ze voor BOEi bouwhistorisch onderzoek uit en schrijft ze met enige regelmatig een blog voor het bedrijf. “In die blog kan ik mijn historische achtergrond inzetten in combinatie met de kennis die ik de afgelopen jaren heb opgebouwd op het gebied van bouwhistorie.”

Het bouwwerk als bron

Wanneer je van plan bent een gemeentelijk of rijksmonument te verbouwen en een vergunning nodig hebt, is een bouwhistorisch onderzoek verplicht. Zo’n onderzoek bepaalt de historische waarde van verschillende onderdelen van het pand en brengt in kaart hoe een pand zich heeft ontwikkeld. Daarmee kan getoetst worden of de verbouwplannen de historische waarden aantasten, legt Kim uit. “Stel dat je een vleugel wilt verwijderen: als dat een toevoeging uit de jaren ’70 is, kan dat misschien. Maar als het een wezenlijk onderdeel van de geschiedenis van het gebouw is, mag dat niet. Of niet zonder een goede onderbouwing.”

Bouw- en cultuurhistoricus Kim Heuvelmans

Particuliere opdrachtgevers ontdekken echter soms pas tijdens het vergunningstraject dat een bouwhistorisch rapport nodig is. “Idealiter begin je zo’n onderzoek meteen, nog voordat er plannen worden gemaakt”, vertelt Kim. “Ik noem het een nulmeting: je wilt eerst weten wat je hebt, met een grondige inspectie van het gebouw. Zo zie je welke elementen je kunt behouden of meenemen in de nieuwe plannen.”

Kim omschrijft haar werk als een combinatie van speurwerk in het archief en een analyse van het bouwwerk. “Je voelt je soms echt een gebouwdetective. Je hebt historische bronnen en archieven, maar het gebouw zelf is de grootste bron. Je stapt telkens weer door een andere deur en dan is het maar afwachten wat je tegenkomt. Dat maakt het spannend.”

‘Een stukje nostalgie’

Niet enkel de constructie van het bouwwerk wordt onder de loep genomen, Kim kijkt ook naar de bredere context. “Bijvoorbeeld op een oud fabrieksterrein: wat werd daar geproduceerd? Stond er een villa of arbeiderswoningen? Je kijkt naar het grotere, sociale verhaal achter de stenen.” Die combinatie van bouwhistorisch en cultuurhistorisch onderzoek vindt Kim het meest interessant. Hoe werkt zo’n ruimte, wat voor processen vonden er plaats en hoe heeft dat de bouw beïnvloedt. “Uiteindelijk is zo’n plek alleen maar een huls voor wat je erin wilt doen.”

Daarnaast probeert ze zoveel mogelijk de historische waarden tot leven te brengen en zichtbaar te maken voor opdrachtgevers. Ze omschrijft het als ‘een stukje nostalgie’. “Het is mooi om die feitelijke informatie aan te vullen met een gevoel. Soms voeg ik daarom weleens extra historische foto’s toe, daardoor gaat zo’n oud pand of terrein leven. Op die manier probeer ik toch een beetje die historische sensatie over te brengen.’

Veel van de onderzoeksrapporten waar Kim aan werkt, blijven achter gesloten deuren bij de opdrachtgever, wat ze best jammer vindt. “We ontdekken zulke bijzondere verhalen en details over gebouwen, maar die komen vaak niet bij een breder publiek terecht.” Toch worden er soms mogelijkheden gecreëerd om bijzondere verhalen naar buiten te brengen, bijvoorbeeld tijdens Open Monumentendag. “Ik onderzocht de pastorie in Veenhuizen en mocht daar toen een presentatie geven over het onderzoek. Het was geweldig om mensen mee te nemen in de geschiedenis van dat pand.”

Uitdagingen van de bouwhistoricus

Het werk van een bouwhistoricus brengt diverse uitdagingen met zich mee, zowel op persoonlijk als professioneel vlak. Kim vertelt dat haar grootste persoonlijke uitdaging is dat ze altijd álles wil weten. “Ik wil elk archief doorspitten en alle literatuur over het onderwerp lezen. Daardoor is er eigenlijk nooit genoeg tijd.”

Professioneel gezien stuit Kim soms op technische beperkingen. “Ik heb een achtergrond als historicus, niet als bouwkundige, dus ik teken zelf niet. Ik ben afhankelijk van de tekeningen die de opdrachtgever aanlevert, en soms zijn die er niet.” Ze vertelt dat ze eens een foto moest maken van een ontruimingsplattegrond om haar waardestelling op aan te geven, simpelweg omdat er geen andere plattegronden beschikbaar waren. “Dat kan weleens lastig zijn.”

Een ander dilemma van de bouwhistoricus is de weegschaal voor bouwhistorische elementen. Kim vertelt: “Laatst had ik een project met asbestplaten als gevelbekleding, die onderdeel waren van het oorspronkelijke ontwerp. Vanuit bouwhistorisch oogpunt moest ik die dus hoog waarderen, maar dat voelt wel vreemd.” Ze moet de technische staat van een gebouw negeren en puur vanuit de bouw- en cultuurhistorie adviseren. “Het blijft een objectief onderzoek, en uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid bij de opdrachtgever of eigenaar om met de plannen aan de slag te gaan.”

Het vak in beweging

De toekomst van het vak van bouwhistoricus ziet er veelbelovend uit, vooral dankzij nieuwe initiatieven om kennis beter te delen. Een van de belangrijkste ontwikkelingen is dat sinds kort bouwhistorische rapporten worden opgenomen in de landelijke database DANS. “Nu gaat een rapport vaak alleen naar de eigenaar en blijft het daar,” legt Kim uit, “maar stel dat een collega bouwhistoricus een pand ernaast onderzoekt, of een gebouw van dezelfde architect of typologie, dan kunnen we zoveel meer leren als we al die gegevens kunnen vergelijken.” Dit zou het mogelijk maken om nog grondiger of synthetiserend onderzoek te doen, met veel meer context en waardevol vergelijkingsmateriaal. DANS biedt deze mogelijkheid nu.

Voor Kim blijft het vak voortdurend in beweging, en dat is precies wat ze er zo aantrekkelijk aan vindt. “Ik ben continu aan het leren”, vertelt ze. Zo heeft ze onlangs bijvoorbeeld een module Groen Erfgoed bij de HU gedaan, om ook iets te kunnen zeggen over de tuin of een fabrieksterrein waar een gebouw op staat. “Het vak is zo veelzijdig dat ik tot mijn pensioen boeken kan blijven lezen en nieuwe dingen kan blijven ontdekken.”