Holland op zijn smalst 2.0

Een bijdrage vanuit Routekaart Duurzaam Erfgoed

Over erfgoed, duurzaamheid en de vraag wie eigenlijk waarvoor verantwoordelijk is

GESPROKEN COLUMN tijdens de partnerbijeenkomst van de Routekaart Duurzaam Erfgoed van 17 juni 2026.

Auteur: dr. J.S. (Bas) van de Griendt

In 1873 verscheen het essay Holland op zijn smalst. Niet geschreven door een activist, klimaatalarmist of bezorgde columnist, maar door Victor de Stuers. Een jonge jurist die zich opwond over de manier waarop Nederland omging met zijn kunstschatten, monumenten en historische gebouwen. Kerken werden gesloopt, stadspoorten verdwenen, schilderijen verlieten het land. De overheid keek toe.

De Stuers vond dat onverteerbaar. Erfgoed, zo stelde hij, is geen privézaak. Het vertegenwoordigt een publieke waarde en daarmee een publieke verantwoordelijkheid.

Zijn essay sloeg in als een bom. Het vormde het begin van een nieuwe manier van denken over monumentenzorg. Uiteindelijk leidde het tot een groeiende rol van de overheid, tot beschermingsregimes en tot wat wij tegenwoordig kennen als het Nederlandse cultuurbeleid.

Duurzaamheid

Duurzaamheid lijkt tegenwoordig synoniem geworden met energiebesparing. Het gesprek gaat over labels, isolatiewaarden, warmtepompen en CO₂-reductie. Inmiddels is er ook steeds meer aandacht voor materialen en circulariteit, maar de dominante reflex blijft dezelfde: hoeveel energie gebruikt een gebouw?

Een begrijpelijke reflex. Maar ook een gevaarlijke. Want wat in die benadering nauwelijks wordt meegenomen, is de maatschappelijke betekenis van erfgoed en monumenten. Hun bijdrage aan identiteit, leefkwaliteit, sociale cohesie en continuïteit. Hun vermogen om generaties met elkaar te verbinden. Hun rol als dragers van geschiedenis en betekenis.

Juist daar wringt het. Want als er één sector is die duurzaamheid al eeuwenlang in praktijk brengt, dan is het de erfgoedsector. Niets zo duurzaam als een monument! Alleen noemen we het daar meestal instandhouding.

Meervoudige waarde

De wereld van duurzaamheid vandaag de dag, is de wereld van ESG, van Environment, Social & Governance. Daarbij gaat duurzaamheid niet over uitsluitend milieuzaken. Het gaat ook over mens en maatschappij. En over good governance.

ESG leert ons dat waarde meer is dan een financiële opbrengsten en dat duurzaamheid over meer gaat dan energie alleen. Waar het vooral over gaat is maatschappelijke impact en waardecreatie.

Daarbij wordt steeds vaker gewerkt met het zes-kapitalenmodel voor meervoudige en lange termijn waardecreatie. Financieel kapitaal, geproduceerd kapitaal, intellectueel kapitaal, menselijk kapitaal, sociaal kapitaal en natuurlijk kapitaal. Dat raakt aan alles wat cultuurwaarde is en waar erfgoed voor staat.

Het is daarom niet verwonderlijk dat dit model nu ook zijn intrede doet in de erfgoedsector. Dat is iets waar men het misschien niet direct zou verwachten (denken in kapitalen), maar wie de financiële wereld kent weet beter. Vandaar dat het nu opduikt bij het Nationaal Restauratiefonds.

In het jaarverslag van het Restauratiefonds wordt expliciet dan ook gesproken over maatschappelijke impact. Over welke middelen nodig zijn om activiteiten uit te voeren. Over welke opbrengsten dat oplevert, op korte én lange termijn. Het vertelt over maatschappelijke opgaven waaraan wordt bijgedragen en wat daarvan de impact is.

Waar Victor de Stuers sprak over publieke verantwoordelijkheid, spreekt het Restauratiefonds over maatschappelijke verantwoordelijkheid. De gedachte erachter is dezelfde. Erfgoed is méér dan vastgoed. En dus vraagt het om een bredere manier van kijken.

Routekaart

Dat brengt mij bij de Routekaart Duurzaam Erfgoed. Een initiatief dat nadrukkelijk bedoeld is om de bijdrage van de erfgoedsector aan de energietransitie inzichtelijk te maken. Op zichzelf is daar weinig mis mee. Integendeel.

De ambitie is helder. Door de routekaart te volgen moet de CO₂-voetafdruk over de monumentenvoorraad worden gereduceerd. Gemiddeld met 40 % in 2030 en 60 % in 2040. Allemaal ten opzichte van 1990.

Uitgangspunten daarbij zijn: eerst besparen, dan opwekken (isoleren dus), kosteneffectiviteit en behoud van monumentale waarden. En de sector wil dat bereiken door samenwerking, kennisdeling, innovatie en financiering.

Wie goed kijkt, ziet daarin de contouren van het zes-kapitalenmodel terug. Het gaat immers over middelen die nodig zijn om maatschappelijke doelen te realiseren. Maar tegelijkertijd valt iets anders op.

In de routekaart wordt verduurzaming vrijwel volledig gelijkgesteld aan energiebesparing. Alsof duurzaamheid uitsluitend gaat over kilowatturen. Alsof CO₂ het enige relevante kompas vormt. Alsof de maatschappelijke waarde van erfgoed buiten beschouwing kan blijven. Dat is, als je het mij vraagt, opnieuw Holland op zijn smalst. Voor duurzaamheid wel te verstaan.

Proportionaliteit

Laten we eerlijk zijn. De energietransitie is noodzakelijk. Klimaatverandering vraagt om actie. Ook de gebouwde omgeving zal daaraan moeten bijdragen. Maar proportionaliteit doet ertoe. Nederland telt ongeveer 63.000 rijksmonumenten. Tel je daar provinciale en gemeentelijke monumenten bij op, dan zijn het er zo’n 140.000.

Dat lijkt veel. Totdat je beseft dat zij slechts één, hooguit twee procent van de totale gebouwvoorraad vertegenwoordigen. Zelfs als monumenten gemiddeld meer energie verbruiken dan vergelijkbare gebouwen, blijft hun aandeel in de totale gebouw gebonden CO₂-uitstoot beperkt.

Dat is geen argument om niets te doen. Zeker niet. Maar wel een argument om zorgvuldig te handelen. Ruim driekwart van alle monumenten heeft een woon- of verblijfsfunctie. Monumentale woningen hebben gemiddeld slechtere energielabels dan niet-monumentale woningen. Meer E-, F- en G-labels.

Maar energielabels zijn slechts normatieve berekeningen. Ze zeggen weinig over daadwerkelijk gebruik. Monumenten kennen vaak onverwarmde vertrekken. Gebruikers passen gedrag aan. Gebouwen zijn soms al deels verduurzaamd.

Het daadwerkelijke energieverbruik laat zich niet zomaar afleiden uit een labelletter. En juist daarom is het gevaarlijk wanneer labels verworden tot dóél in plaats van húlpmiddel.

Vloek of zegen?

De recente labelplicht voor monumenten biedt tegelijkertijd kansen. Tijdens het Duurzaam Erfgoed Congres vorig jaar werd uitgebreid stilgestaan bij de vraag wat een energielabel nu eigenlijk zegt. En vooral: wat het níét zegt.

Monumenten immers beschikken over een voordeel dat in de reguliere vastgoedwereld pas sinds kort serieus aandacht krijgt. Hun materiaalgebonden CO₂-uitstoot heeft al lang geleden plaatsgevonden. Deze zogeheten embodied carbon is al lang geleden afgeschreven. Wat daar bovendien bijkomt is dat in monumenten bovengemiddeld veel koolstof is opgeslagen in hout en biobased materialen.

Door deze gebouwen te behouden en materialen te hergebruiken, voorkom je nieuwe materiaalgebonden emissies. Door restauratie vermijd je sloop en nieuwbouw en verklein je CO2-voetafdruk.

Vanuit een levenscyclusbenadering is behoud daarom vaak duurzamer dan vervangen. De erfgoedsector doet dit al decennialang. Sterker nog: het is haar corebusiness. Wat in de bouwsector inmiddels als revolutionair circulair denken wordt gepresenteerd, noemen wij simpelweg instandhouding.

Dat verandert ook de vraag. Niet langer: hoe krijgen we monumenten op hetzelfde energieniveau als reguliere nieuwbouw? Maar: hoe realiseren we maximale energiebesparing met behoud van erfgoedwaarden én een optimale totale klimaatprestatie? Dat is een fundamenteel andere discussie. En een veel interessantere.

Terug naar de bedoeling

Misschien nog fundamenteler is het onderzoek van Marina Laméris en Annemiek Verstappen: ‘Terug naar de bedoeling’. Hun conclusie is even eenvoudig als confronterend. De kennis is er. De wil is er. De techniek is er. Maar het systeem werkt tegen.

Verduurzamen via de officiële route blijkt ingewikkeld, tijdrovend en kostbaar. Eigenaren betalen niet alleen voor maatregelen. Zij betalen ook voor onderzoek. Voor rapportages. Voor vergunningen. En voor het bewijs dat zij überhaupt mogen doen wat maatschappelijk wenselijk wordt geacht.

Verduurzaming voelt daardoor niet als een gezamenlijke opgave. Maar als een straf voor goed gedrag. Mensen stoppen daardoor niet met willen verduurzamen. Zij stoppen met proberen het netjes te doen. Dat zou iedere beleidsmaker zorgen moeten baren. Want zodra regelgeving leidt tot ontwijkgedrag, verlies je niet alleen draagvlak. Je verliest ook grip.

Verduurzaming van monumenten vraagt daarom om eenvoudiger procedures, meer vertrouwen in eigenaren en betere samenwerking tussen erfgoed- en duurzaamheidsdeskundigen. Maar daarmee raken we aan een nog fundamentelere vraag. Namelijk: van wie is deze opgave eigenlijk?

Maatschappelijke efficiëntie

Voor het antwoord op deze vraag moeten we een onverwachte afslag nemen, naar Ronald Coase. De econoom die in 1991 de Nobelprijs voor de Economie kreeg voor zijn werk over transactiekosten en eigendomsrechten. Zijn beroemde essay The Problem of Social Cost gaat over milieuschade en de vraag wie daarvoor verantwoordelijk is.

Traditioneel redeneren we als volgt: wie schade veroorzaakt, betaalt. Externe kosten moeten worden geïnternaliseerd. De vervuiler betaalt. Maar Coase laat zien dat die werkelijkheid ingewikkelder ligt. Want als maatschappelijke baten en lasten ongelijk verdeeld zijn, is de vraag niet alleen wie juridisch verantwoordelijk is. De vraag is vooral: wat is maatschappelijk het meest efficiënt?

Toegepast op monumenten ontstaat dan een interessante gedachte. Wij – de samenleving – bepalen dat bepaalde gebouwen erfgoed zijn. Wij vinden dat zij beschermd moeten worden. Wij ontlenen daar collectieve waarde aan. Wij genieten van hun aanwezigheid. Wij profiteren van hun bijdrage aan identiteit, toerisme, leefbaarheid en cultuur.

Tegelijkertijd zeggen we tegen de eigenaar: u moet verduurzamen, u betaalt, u voldoet aan aanvullende eisen, u draagt de extra kosten. Is dat eigenlijk wel redelijk? Ik denk van niet. Sterker nog. Ik denk dat het economisch én bestuurlijk moeilijk te rechtvaardigen is.

Gedeelde verantwoordelijkheid

De klassieke beleidsreflex luidt: eigendom betekent verantwoordelijkheid. En dus moet de eigenaar verduurzamen. Maar Coase zou vermoedelijk een andere vraag stellen. Niet: moet de eigenaar verduurzamen? Maar: is het maatschappelijk efficiënter dat de eigenaar alle kosten draagt, of dat de samenleving meebetaalt aan een opgave waarvan ook de baten maatschappelijk zijn? Erfgoed is immers een publiek goed. De opbrengsten van behoud en verduurzaming landen niet uitsluitend bij de eigenaar. Zij komen ten goede aan ons allemaal.
Daar komt nog iets bij.

Onderinvestering

Verduurzaming van monumenten is vaak duurder dan bij reguliere gebouwen. Beschermingsregimes beperken mogelijkheden. Technische oplossingen zijn complexer. Investeringen vallen hoger uit.

Als je die lasten volledig privatiseert, terwijl de baten collectief zijn, ontstaat onderinvestering. Eigenaren doen niets. Of zij kiezen oplossingen die erfgoed-waarden aantasten. Precies datgene wat Laméris en Verstappen signaleren.

Coase zou vermoedelijk kiezen voor co-financiering. Voor gedeelde verantwoordelijkheid. Voor maatwerk. Niet één generieke norm, maar differentiatie. Niet het energielabel als heilige graal. Maar een integrale afweging.

Koploper

Opmerkelijk genoeg hoeft de erfgoedsector daarvoor het wiel niet opnieuw uit te vinden. Sterker nog: zij loopt op onderdelen juist vóór. Ze is aldus koploper. Het rapport Erfgoed als leefomgevingswaarde van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laat zien hoe maatschappelijke baten inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Ook dat is een vorm van meervoudige en lange termijn waardecreatie.

Een recente motie in de Tweede Kamer waarin wordt gevraagd maatschappelijke baten structureel mee te nemen in businesscases voor bouwprojecten, bevestigt die ontwikkeling. Met 149 stemmen vóór. Eén tegen.

Blijkbaar groeit het besef dat waarde meer is dan euro’s of kilowatturen, ook als het gaat om duurzaamheid. En misschien is dat wel de grootste kans voor de erfgoedsector. Niet om achter de duurzaamheids-beweging aan te lopen. Maar om haar iets te leren. Namelijk dat duurzaamheid uiteindelijk draait om de vraag wat wij waardevol genoeg vinden om mee te nemen naar de toekomst en door te geven aan volgende generaties.

Bredere blik

Misschien is dat uiteindelijk wel de belangrijkste les die het verduurzamings-debat ons leert. Dat complexe maatschappelijke vraagstukken zich zelden laten vangen in één indicator, één norm of één beleidsdoel. Dat we de neiging hebben om ons vast te klampen aan wat meetbaar is. Terwijl juist datgene wat er werkelijk toe doet zich niet altijd eenvoudig laat uitdrukken in cijfers, labels of percentages.

Misschien is dat precies wat we nodig hebben in het debat over erfgoed en duurzaamheid. Een bredere blik. Minder tunnelvisie. Meer aandacht voor maatschappelijke waarde. Meer oog voor proportionaliteit. Meer vertrouwen in mensen. En vooral: het besef dat duurzaamheid niet uitsluitend gaat over energie.

Victor de Stuers begreep in 1873 dat erfgoed een publieke verantwoordelijkheid is. Misschien moeten wij anno nu opnieuw terug naar die bedoeling. Niet door klimaatdoelen ter discussie te stellen. Maar door te erkennen dat duurzaam erfgoed méér vertegenwoordigt dan een energieprestatie. Dat monumenten niet alleen dragers zijn van stenen, maar ook van verhalen. Van identiteit. Van continuïteit. Van maatschappelijke waarde.

Alleen als we die brede betekenis centraal durven stellen, nemen we erfgoed werkelijk mee naar de toekomst. Doen we dat niet? Dan dreigt opnieuw hetzelfde gevaar als anderhalve eeuw geleden. Dan reduceren we iets groots tot iets kleins. Dan verwarren we middel en doel. Dan is er, ondanks alle goede bedoelingen, nog altijd sprake van Holland op zijn smalst.

Dank voor uw aandacht.

Dr. J.S. (Bas) van de Griendt is oprichter en eigenaar van Stratego Advies. Hij adviseert publieke en private partijen over duurzaamheid en ESG bij bouw- en vastgoedactiviteiten.

Bas is docent bij verschillende beroepsopleidingen voor de vastgoedmarkt, waaronder die van NEPROM en de ASRE. Daarnaast is hij commissaris in de corporatiesector en toezichthouder bij de Natuur en Milieufederatie Utrecht (NMU).

Duurzaamheid en ESG zijn onderwerpen waarover Bas regelmatig publiceert. Zo is hij columnist bij PropertyNL, auteur van o.a. ‘Het ABC van ESG voor vastgoed-professionals’ (2024) en co-auteur van ‘SDG’s & Vastgoed’ (2026). Tijdens de Week van het Duurzaam Erfgoed 2025 modereerde hij de werksessie ‘Wat betekent de labelplicht voor erfgoed en monumenten?’.