Hotel Britannia: ‘De graffitiverf droop op het mozaïek’

Hotel Britannia, mozaiek, foto Willem Heijbroek
Hotel Britannia, mozaiek, foto Willem Heijbroek

Hotel Britannia is half gesloopt, maar wat doet Vlissingen met de 120 meter kunst van Van Roode?

Door Sandra Smets

Download artikel als PDF Dikke rode lopers, glinsterende koperen bedoeningen – ach wat waren grand hotels toch verburgerlijkte monstrueuze musea van 19e-eeuwse kitsch. Dat verzuchtte een journalist van de Groene Amsterdammer in 1955, die meteen goed nieuws toevoegde: twee hypermoderne grand hotels werden geopend, die korte metten maken met elke vorm van nostalgie. Het waren het Deltahotel in Vlaardingen en Britannia in Vlissingen, allebei van de betonminnende architect Joost Boks. Luxe en strakheid, het kon, mede dankzij de kunst. Voor Britannia vroeg Boks kunstenaar Louis van Roode die een mozaïek ontwierp, dat over een fries vanaf de buitengevel doorliep het restaurant in. Later is dit doorgetrokken over het hotelgedeelte dat in 1960 klaar kwam. De totale lengte bedroeg daarmee 120 meter. Voor Boks’ esthetiek van lange verdiepingen met veel glas en bijpassend interieur, de chique glamour van het understatement, was dit mozaïek de ultieme finishing touch. Samen vormden ze een prachtig teken van vooruitgang, van de wederopbouw, van een nieuwe en betere wereld. Dikke lopers en koper, dat was voor reactionaire lui die stilstonden.

Niet iedereen dacht er zo over. Sommige mensen hadden nog heimwee naar het vooroorlogse grand hotel dat onderdeel was geworden van de Atlantikwall en waarvan na de oorlog enkel nog een smeulend skelet overbleef. Boks’ nieuwe Britannia (is niet hoger) zou de pijn van het oorlogsverleden wegruimen. Maar ook dat Britannia bleek uiteindelijk niet bestand tegen de vooruitgang. De horeca liep er niet zo goed – iets waar het vooroorlogse hotel ook last van had gehad. Daardoor sloot  Britannia eind jaren negentig (info uit Vlissingen) de deuren. In 2004 gaf de gemeente een sloopvergunning af, met één voorbehoud: het mozaïek moest behouden blijven. Inmiddels was tijdens voorgaande verbouwingen 20 meter mozaïek in het paviljoen  vernietigd.

‘Een Spaanse expert zei dat het mooier was dan werk van Gaudi’

Daar begonnen de problemen, stelt Willem Heijbroek van erfgoedvereniging Heemschut die zich steeds meer beijvert voor behoud van wandkunst. “Nadat de sloopvergunning was verleend, schakelde Heemschut de Raad voor Cultuur in. Die adviseerde het geheel als rijksmonument te bestemmen , hoteltoren en paviljoen met mozaïeken. Maar de Rijksdienst Cultureel Erfgoed wilde daar niet aan. Wij lobbyden verder en na een presentatie op het tiende congres van Docomomo, (Documentation and Conservation of the Modern Movement, een internationale vereniging voor behoud van na-oorlogse bouwwerken) kwam Britannia op hun werelderfgoedlijst. Maar intussen volgde allerlei politiek gekissebis. Het hotel belandde in een dubieuze projectontwikkelingszaak. Tegenstrijdige belangen en telkens nieuwe betrokkenen volgden, gedoe rond eigendomsrecht en Europese aanbestedingen, miscommunicatie alom. De gemeente die het geheel in bezit dacht te hebben kwam met Heemschut overeen dat de mozaïeken op het paviljoen gedeeltelijk gerestaureerd en geconserveerd werden door Art Conservation.

Daarna begon de sloop van de hoteltoren, die ondeskundig werd uitgevoerd (Art Conservation was buiten spel gezet), waardoor zware  beschadiging van de mozaïeken op de toren dreigde.

Dat gebeurde in 2010, waarbij plaatselijke fans zich letterlijk tussen de sloopmachines en het mozaïek plaatsen. Dit menselijke cordon was een initiatief van een lokale vereniging, de Vrienden van het Brit. Media sprongen erop, de politiek legde de sloop stil. Vervolgens zijn deze friezen  met inmiddels beschadigde mozaïeken uitgezaagd en overgebracht naar de gemeentewerkplaats.

Heijbroek hoopt op herplaatsing van de torenmozaïeken in het paviljoen, zeker nu de mozaïeken op het paviljoen intussen gerestaureerd zijn door een Spaanse mozaïekexpert;  zij noemde deze meer bijzonder dan die van Gaudí. Maar herplaatsing is vaak lastig. Heemschut maakt het veel mee. Toen het zich inzette voor een muurschildering van Peter Alma en glasappliquéramen van Lex Horn, alle in een school in Sint Maartensdijk, volgde een Kafkaëske reddingsoperatie. De gemeente schoof de verantwoordelijkheid van zich af, en de tijd tikte door – jarenlang. Totdat een gedeputeerde van de provincie Zeeland ingreep en redding eiste; tenslotte zijn de gelden voor overplaatsing door provincie, gemeente en Heemschut bijeen gebracht.  Op een symposium in 2011 typeerde Heemschut  betreffende gemeentes als een onbetrouwbare overheid, die ontwijkend gedrag vertoont. De kunst in St. Maartensdijk is gered, nadat landelijke musea waren opgetrommeld brieven te schrijven over het belang ervan. Maar zouden diezelfde musea dezelfde aanbevelingen schrijven als ze deze werken moesten wegen in vergelijking met andere wandkunst, die geen fanclubs heeft? Worden de beste gered? Je wilt geen Rembrandt te grabbel gooien maar ook geen tonnen investeren in iets wat wellicht B-kunst is. Een uitgangspunt, dat Heemschut hanteert, is de vermelding op de lijst van betekenisvolle kunstenaars, opgesteld door Instituut Collectie Nederland (nu RCE).

Met een terugtredende overheid, die geen opdrachten meer uitschrijft voor kunst in de openbare ruimte, en projectontwikkelaars die niet investeren in oude ornamentiek, kunnen zulke burgerlobbies een beslissende rol spelen voor dit erfgoed. Orgels in kerken hebben bescherming, wandkunst niet. Voor herplaatsingen bestaan geen  subsidiepotjes, wel voor nieuwe projecten zoals het graffitiproject op de betimmeringen van het leegstaande Britannia. Bleekjes stak het fries door de fel beschilderde beplatingen heen. “Die verf droop op het mozaïek, dat ook te lijden had van brandweeroefeningen die in het leegstaande hotel plaatsvonden,” zegt Heijbroek.

Het is een klein wonder dat het mozaïek dit grotendeels doorstaan heeft, waarschijnlijk omdat het zo ingenieus gefabriceerd was. Toen Van Roode en Boks destijds het plan rond hadden, ging de kunstenaar vijftien keramiekfabrieken langs – die het allemaal te ingewikkeld en kostbaar noemden. “Dan ga ik het zelf maken,” zei Van Roode die een lange barak inrichtte (‘alchemistenhol’, volgens de Tijd) met twee keramiekovens. Het plateel moest tegen vorst en zilte zee bestand zijn en dat lukte – TNO testte de duurzaamheid. Bovendien wist Van Roode zo zestig mooie kleuren te bakken, alles behalve mooi oranje: “Je hebt er uraan-oxyde voor nodig. En dat gebruiken ze tegenwoordig voor atoombommen.”

Zo bakte hij honderdtwintig meter kunst – de wederopbouwkunst was een tijdperk van records. Van Roode: “Ik kijk niet op een metertje.” Het bejubelde fries in het Britannia bevatte zeedieren en dat ging over de evolutie, vertelde later Wil van Kooy-Seinstra, een van ‘de meisjes van Roode’: het team van jonge vrouwen dat aan het fries van vijfduizend kilo klei werkte, en met wie de kunstenaar na werktijd graag tijd doorbracht.

De gestileerde zeewezens ogen decoratief, geschikt voor een badplaats. Maar filosoof Siebe Thissen vermoedt dat er meer achter zit. “Niemand heeft Van Roode ooit begrepen.” vermoedt Thissen. “Nooit is goed onderzoek naar hem gedaan. Toen Van Roode zichzelf van het leven beroofde, zei Pierre Jansen dat met hem een tijdperk verdween. Welk tijdperk was dat? Ik vermoed dat hij een brug sloeg naar de vooroorlogse zoektocht naar het ‘al-ene’, de dragende waarheid waar de zichtbare werkelijkheid uit voortvloeit. Zoals velen in Nederlandse culturele kringen van voor de oorlog geloofde hij dat je het gedeelde van de mens moest vinden, om tot een betere wereld te komen. Solidariteit is zinloos zonder begrip van de samenhang der dingen.”

Filosofen en kunstenaars, ook Mondriaan, zochten naar dit religieus getint socialisme. Thissen vermoedt dat Van Roode die zoektocht voortzette. “Daarom was hij ook zo verguld toen hij een werk mocht maken in Amsterdam voor het AMOLF- Amsterdams Instituut voor Moleculaire Fysica. In zijn opdrachtgever Jaap Kistenmaker (voorheen directeur van het FOM), een pionier in de kernfysica, zag hij een geestverwant”.

Misschien ontstond dat onbegrip wel doordat Van Roode’s beeldtaal verward werd met het decoratieve optimisme van de naoorlogse monumentale wandkunst. Gestileerde harmonieën van natuur en cultuur sloten aan bij het politieke optimisme en denkbeelden over gemeenschappelijkheid. Dat is iets anders dan mystiek-filosofische zoektochten naar het al-ene in de kosmos. Wie nog moeite wil doen om Van Roode te begrijpen, moet opschieten. Zijn erfenis slinkt en de toekomst van het Vlissingse fries is onbekend, al heeft Heijbroek goed nieuws voor de liefhebber: ze hebben nog een Van Roode, gered door Heemschut uit het AMOLF, staan. Wie een kraan heeft, en de restauratie betaalt , mag het mozaïek meenemen. Is dat alvast gered.

Dit artikel is eerder verschenen in NRC Handelsblad