Het gasverbruik van Nederlandse monumenten daalt meetbaar. Toch dreigt de kloof tussen ambitie en werkelijkheid te groeien. De data zijn er. De samenwerking nog niet.
Dit artikel verschijnt ter gelegenheid van de Klimaattop Gebouwde Omgeving (4 en 5 november 2026, Jaarbeurs Utrecht), waar 3.000 professionals samenkomen om de verduurzaming van de gebouwde omgeving te versnellen en waar het rapport Op weg naar CO₂-neutraal 2026 werd gepresenteerd en uitgereikt aan Diederik Samsom. Monumenten vormen daarin een bijzonder hoofdstuk: ze vragen meer dan standaardoplossingen, maar de data om gericht te sturen zijn er al.
Een daling die nog niet genoeg is
Tussen 2018 en 2026 daalde het gasverbruik van Nederlandse monumenten van 623 naar circa 448 miljoen kubieke meter. Op het eerste gezicht goed nieuws. Maar wie de ambitielijn van de Routekaart verduurzaming monumenten ernaast legt, ziet dat de werkelijke daling achterblijft bij wat nodig is: 40 procent CO2-reductie in 2030, 60 procent in 2040, beide ten opzichte van 2018. De sector beweegt, maar niet snel genoeg.
De voortgang wordt gevolgd via de Energie- en CO2-Atlas, die sinds 2020 jaarlijks gas- en elektriciteitsverbruik van monumenten in kaart brengt op basis van data van de landelijke netbeheerders. Een waardevol instrument. Maar een monitor die alleen landelijk wordt gelezen, stuurt niet.
Wat werkt en waarom weten we dat pas nu?
De atlas laat inmiddels regionale verschillen zien die eerder onzichtbaar waren. Lelystad, Zundert en Hengelo (Overijssel) scoren het beste op duurzame energielabels bij monumenten. De provincie Groningen weet eigenaren aantoonbaar in beweging te krijgen. Provincie Utrecht rapporteert sinds 2022 per erfgoedcategorie.
Dat zijn geen toevalstreffers. Het zijn de plekken waar overheden actief begeleiding bieden en data gebruiken om gericht te sturen. De vraag die zich opdringt: waarom doen niet alle provincies en gemeenten dit al?
Het antwoord is deels technisch, deels bestuurlijk. Gemeenten hebben nu nog geen directe toegang tot de atlas. Ze werken met eigen cijfers, of helemaal zonder. Dat betekent dat een erfgoedambtenaar in gemeente A niet kan zien hoe zijn monumentenbestand het doet ten opzichte van vergelijkbare gemeenten — laat staan dat hij zijn subsidie-inzet daarop kan afstemmen.
Subsidies zonder terugkoppeling
Daar wringt het. Want er gaat wel degelijk geld naartoe: de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim), de woonhuissubsidie voor rijksmonumenten, de ISDE met aangepaste voorwaarden voor monumenten. Het Evaluatierapport doeltreffendheid woonhuissubsidie (OCW, 2024) is een eerste poging om te meten wat die subsidies opleveren. Maar dat soort onderzoek is nog uitzondering, geen regel.
Zolang subsidieverlening en monitoringsdata gescheiden systemen zijn, blijft effectieve sturing lastig. Niet ieder monument vraagt bovendien dezelfde aanpak: sommige gebouwen leveren met kleine ingrepen direct groot rendement, andere vragen een integraal plan over meerdere jaren. Een goede monitor maakt dat onderscheid zichtbaar en helpt om het juiste instrument aan het juiste gebouw te koppelen.
Drie adviezen, maar wie pakt ze op?
Tijdens de Week van het Duurzame Erfgoed 2026 formuleerden gemeenten en provincies drie concrete wensen: benoem vaste contactpersonen bij gemeenten en het IPO voor kennisdeling, bied praktische ondersteuning vanuit de Routekaart, en maak de atlas toegankelijk voor alle overheidsniveaus.
Redelijke adviezen. Maar ze worden al langer uitgesproken. De vraag is niet óf dit moet gebeuren, maar wie het initiatief neemt en wanneer. Voor erfgoedprofessionals die dagelijks werken aan verduurzaming van monumenten en die zien hoe eigenaren vastlopen op gebrek aan informatie, consistentie of begeleiding is die vraag allang beantwoord.
De data zijn er. De ambitie ook. Wat ontbreekt, is de verbinding ertussen.
Bron: Rapport ‘OP WEG NAAR CO2-NEUTRAAL’, een uitgave van KTGO (klimaattop gebouwde omgeving), november 2026.

