Rapport: Buitenlandse inspiratiebronnen voor Nederlands archeologisch erfgoedbeheer

Redactioneel commentaar

Begin februari verscheen er een rapport besteld in het kader van de evaluatie van de erfgoedwet. Het rapport gaat alleen over archeologie en heeft als doel om te leren van de archeologische praktijk in het buitenland. Het is behoorlijk taaie kost en niet het soort rapport waarin harde conclusies worden getrokken. Toch schemert het beeld door dat in Nederland de tastbare archeologische geschiedenis, in vergelijkingen met een aantal van de ons omringende buitenlanden, wat minder als algemeen belang wordt gezien. De vroegere rijks-verantwoordelijkheden zijn hier in de afgelopen decennia ook weg-gedelegeerd. En daarmee lijkt Nederland als land in vergelijking met sommige andere landen wat minder goed geoutilleerd om van de maatschappelijke en wetenschappelijke potentie van dit erfgoed gebruik te kunnen maken.

‘Brave New Worlds. Foreign inspirations for Dutch archaeological heritage management’, dat is de titel van de Engelstalige rapportage van de internationale verkenning van archeologiebeleid die is uitgevoerd door onderzoekers van Gordion Cultureel Advies, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden en Landskroon Archeologie, onder begeleiding van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De opdracht voor de verkenning was in 2019 gegeven door de Tweede Kamer met als doel te leren van ervaringen in andere Europese landen op het gebied van archeologische monumentenzorg.

Samenvatting rapport

Deze verkenning werd uitgevoerd in opdracht van de rijksoverheid als gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de Kamermotie Beckerman e.a. (2019).

Doel is te leren van alternatieve praktijken in het buitenland op het gebied van archeologie die van belang kunnen zijn om knelpunten op te lossen op drie gebieden (Hoofdstuk 2): gemeentelijke uitvoeringscapaciteit, aansluiting van Malta-archeologie bij universitair onderzoek en het publieksbereik. OCW beoogt geen advies maar een inventarisatie van inspirerende voorbeelden.

Uit negen gegeven landen zijn Engeland, Zweden, Denemarken, de Vlaamse Gemeenschap en het Rijnland nader onderzocht (Hoofdstuk 3 en 4). Eerst zijn door middel van bureaustudie de verschillende archeologische zorgstelsels in kaart gebracht qua wetgeving, taakverdeling, kwaliteitszorg, financiering, toegankelijkheid, academische uitwerking en participatie. De stelsels zijn vervolgens in interviews met in totaal 6-7 stakeholders per land beoordeeld op effectiviteit in termen van in situ behoud van vindplaatsen, aansluiting bij de wetenschap en sociaal engagement (van disseminatie tot participatie). Deze beelden zijn extern gecheckt met onafhankelijke experts. De aldus gevalideerde keuze van in elke regio succesvolle elementen, die bovendien in Nederland (vrijwel) ontbreken, is tenslotte gevaloriseerd met een grotere, veldbrede groep van ca. 30 representanten van de archeologie in Nederland.

Er zijn in totaal 39 elementen beschreven (Hoofdstuk 5) die bijzonder zijn: ze werken in de bekeken regio’s goed en ze zouden in de Nederlandse situatie bruikbaar kunnen zijn. Dit onderzoek heeft niet in kaart gebracht hoe of onder welke voorwaarden dat laatste het geval zou kunnen zijn. Daarvoor moeten de voorgestelde elementen eerst tot principes herleid worden die op inpasbaarheid in Nederland gewogen moeten worden, alsmede bevraagd op de voorwaarden waaronder ze in hu oorspronkelijke context goed werken.

Vijf terreinen

Wij hebben de gevonden punten geordend (Hoofdstuk 6) naar relevante terreinen van de uitvraag, maar ook naar inzichten uit de eerste fase van ons eigen onderzoek (welke vraagstukken spelen elders?) en vervolgens naar de oogmerken van het Verdrag van Valletta (Malta) zelf. Dat leverde niet drie maar vijf terreinen op.

  • Aan in situ behoud wordt elders weinig expliciete aandacht gegeven. Wel is er soms sprake van extra inzet op maatregelen in de voorwaardelijke sfeer, b.v. met technologische innovatie (remote sensing).
  • Overal zijn er wel zorgen over de bijdrage van contractarcheologie aan betekenisvolle kenniswinst. Er bestaat een waaier aan remedies, van het regelen van ‘betekenisvolheid’ in wet of aanbesteding (significance), het creëren van kennisecologieën, en uitbreiding van of aanvulling op het ‘de verstoorder betaalt’-principe. Van belang lijkt het slechten van muren tussen academia en contractarcheologie.
  • Op het gebied van bekendheid van archeologie bij het grotere publiek is zich in Zweden en Engeland een paradigmaverandering aan het voltrekken. Keuzes rondom archeologisch worden daar afhankelijk gemaakt van de mate waarin publieke waarde wordt gecreëerd: de betekenis van erfgoed voor de samenleving. Dat sluit aan bij het (nergens met name genoemde) Kaderverdrag van Faro.
  • Een bovenlokaal niveau van uitvoering voor de archeologie blijkt overal als optimaal te worden ervaren. Enerzijds respecteert dat beter de regionale aard van het archeologische bestand, wat inhoudelijke correctere afwegingen en handling mogelijk maakt; anderzijds doet dat meer recht aan het gespecialiseerde karakter van dit kleine vakgebied, dat op te kleine schaal niet volwaardig – in concurrentie – kan opereren.
  • De financiering van archeologie laat elders en breder spectrum zien dan het Nederlandse. Het antwoord op de vraag wie wat waarvoor betaalt hangt sterk af van landelijke/regionale eigenheden alsmede sociaaleconomische opvattingen. Centraal staat de keuze of het onderwerp van aandacht in of buiten het publieke domein ligt en hoe verantwoordelijkheden toegedeeld moeten worden.

Drie handelingsperspectieven

In een korte reflectie (Hoofdstuk 7) onderscheiden wij drie handelingsperspectieven. Het maakt uit of je erfgoedzorg primair ten dienste stelt van het behoud van intrinsieke waarden (Valletta), van strategieën ter versterking van landschapskwaliteiten (Nota Belvedere, Raad van Europa Landschapsconventie) of gemeenschapswaarden (Faro). We wijzen er ook op dat de noodzaak van het gebruik van kennisecologieën, van een breder toepassing van het criterium ‘betekenis’ en van publieke waarde al door de samenwerkende Europese archeologische overheidslichamen (European Archaeological Council) werd benadrukt.

Zes aanbevelingen

Het rapport mondt uit in een reeks aanbevelingen (Hoofdstuk 8):

  1. Herijk de uitgangspunten en aannames van het Verdrag van Valletta aan recente grote externe ontwikkelingen.
  2. Onderzoek workshopgewijs wat de aangegeven leerpunten kunnen betekenen in de Nederlandse situatie(s) en hoe ze optimaal betekenisvol kunnen zijn, op verschillende abstractieniveaus en na een open slijpproces van deze ruwe diamanten.
  3. Reken financiële effecten door (een uitwerkingsfonds à la Vlaanderen of Noordrijn-Westfalen zou een verdubbeling van de capaciteit voor synthese-onderzoek betekenen).
  4. Onderzoek nieuwe samenhangen en samenwerkingsverbanden, analoog aan het Zweedse R&D programma van de Graduate School in Contract Archaeology (GRASCA).
  5. Deel c.q. ontwikkel visies op doel, werking en toekomst van het a.m.z. systeem, zowel verticaal (verschillende overheden, uitvoerders) als horizontaal (keten).
  6. Heroverweeg aspecten van marktwerking tegen de kleine schaal van de vaak hooggespecialiseerde archeologie-sector.

Ter afsluiting geven wij in overweging te zoeken, geïnspireerd door vele voorbeelden in het buitenland, naar een nieuw evenwicht én verbinding tussen de drie belangrijkste domeinen waarin archeologie speelt: ruimtelijke ordening, wetenschap en samenleving.

Lees of download hier het hele rapport. Bekijk hier meer over de voortgang van de Evaluatie Erfgoedwet voor het onderdeel archeologie.

Reacties zijn hieronder welkom