Suzanna Jansen: ‘Het fysieke erfgoed in Veenhuizen is een weerslag van de ideeën die er zijn geweest.’

Foto: Mark Uyl

Suzanna Jansen is schrijfster, verteller en dagvoorzitter. In Het pauperparadijs beschrijft ze haar familiegeschiedenis in Veenhuizen. Johannes van den Bosch, een maatschappelijk betrokken generaal, bouwde in 1823 in het Drentse Veenhuizen drie grote gestichten. Met zijn Maatschappij van Weldadigheid wilde hij de paupers uit de steden en de wezen uit heel het land door hard werken in het veen ‘opvoeden tot zelfstandigheid’. Het experiment begon uit ideële motieven, maar liep uit op een mislukking. In haar boeken onderzoekt Suzanna het verleden omdat ze het heden wil begrijpen. Tijdens het Nationaal Monumentencongres, op 9 november, is Suzanna dagvoorzitter. Ze vertelt alvast over Veenhuizen en de lessen die we mee kunnen nemen naar het heden en de toekomst.

Wat betekent Veenhuizen voor jou, sinds het schrijven van Het pauperparadijs?

Voor het schrijven was ik, samen met een groot deel van Nederland, niet bekend met deze historie. Het is een heel onderbelicht deel van onze geschiedenis. Het pauperparadijs is 15 jaar geleden gepubliceerd, en in die tijd werd er ook gesproken over een Unesco Werelderfgoed nominatie voor Veenhuizen. Daardoor is de locatie snel op de kaart gezet voor het Nederlandse publiek.

Het bijzondere aan Veenhuizen is dat het eigenlijk een spiegel is voor hoe we de afgelopen tweehonderd jaar zijn omgegaan met mensen die niet het zelf niet redden. Het fysieke erfgoed in Veenhuizen is een weerslag van de ideeën die er zijn geweest. Op allerlei plekken in het gebied is dit te zien, als je tenminste weet waar je moet kijken.

Welke lessen uit de geschiedenis van Veenhuizen neem je mee naar het heden/de toekomst?

Er is de afgelopen tweehonderd jaar veel hetzelfde gebleven. Nog altijd wordt er neergekeken op mensen die het maatschappelijk gezien lastig hebben. Nog altijd gaapt er een gat tussen beleidsmakers die uit de beste bedoelingen de armoede bestrijden en mensen die te weinig geld of ingewikkelde problemen hebben. Johannes van den Bosch wilde in Veenhuizen armelui een heropvoeding geven om ze ‘fatsoenlijk’ te maken. Zonder enige kennis van psychologie, en met een paar duizend mensen per gesticht bestierd door een alwetende directie, zijn de meesten daar niet beter van geworden.

Wat zijn de belangrijkste lessen uit het verleden die de cultuur/erfgoedsector mee kan nemen naar de toekomst?

Erfgoed is wat mij betreft geen vroeger-verhaal. Hoe en waar er muren zijn gebouwd, is een weerslag van de ideeën die ons hebben gevormd. Hoe beter we erin slagen die ideeën te laten zien en de vertaalslag naar het heden te maken, des te duidelijker dit wordt.

Hoe kijk je aan tegen het thema van het congres “Erfgoedpioniers gezocht”?

Erfgoed is zeer actueel nu het thema identiteit een grote rol speelt. Ik hoop van harte dat jonge mensen de ruimte krijgen in fysiek erfgoed om hun verhalen daarover te vertellen, in allerlei vormen. Zodat het ook voor hen geen vroeger-verhaal is.