In Nederland is er een groeiend onbehagen over de kwaliteit van het landschap. Dit geldt ook voor Friesland, volgens velen de mooiste provincie. De diversiteit en schoonheid van het Friese landschap brokkelt zienderogen af. Anonieme bedrijventerreinen, willekeurig geplaatste windturbines en een verschrompelend veenweidegebied zorgen voor ‘landschapspijn’.
Kan het tij gekeerd worden? Op een rondreis door de verschillende landschapstypen van Friesland laat Peter de Ruyter in zijn boek ‘Vloeiend landschap’ zien dat het nog niet te laat is. Door mee te bewegen met toekomstige veranderingen als een stijgende zeespiegel en een krimpende bevolking ontstaan er kansen voor verbetering. De grootste veranderingen in het Friese landschap zullen de komende decennia plaatsvinden in het Lage Midden, het Friese veengebied. Door het huidige landgebruik oxideert het veen in rap tempo; huizen verzakken, kades kantelen en verhalen verdwijnen. Tegelijkertijd is er door de klimaatverandering behoefte aan berging van zoet water en is er de vraag naar robuuste gebieden voor natuurinclusief boeren. Is er een nieuwe verhouding tussen melk en water mogelijk?
Peter de Ruyter pleit voor een ruilverkaveling 2.0 in het Friese landschap met ruimte voor verschillen, verschuivende verantwoordelijkheden en nieuwe landschappelijke kwaliteiten.’Vloeiend landschap’ is een pleidooi voor visie en regie met plaats voor een betrokken houding van de burger, de mienskip.
Het eerste exemplaar van het boek is op 20 januari 2016 in Nij Beets overhandigd aan Johannes Kramer, gedeputeerde van de provincie Fryslân. Kramer noemde bij die gelegenheid ‘Vloeiend landschap’ prikkelend, moedig en dapper. Op 3 maart 2020 is een volledig geactualiseerde editie overhandigd aan Prof. Hans Mommaas, directeur van het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) tijdens een drukbezochte lunchlezing in Den Haag. Mommaas noemde bij die gelegenheid het boek urgenter en actueler dan ooit.
Het boek is verschenen bij uitgeverij Noordboek Bornmeer, onder eindredactie van Mark Hendriks en is vormgegeven door Barbara Jonkers. Met een voorwoord door hoogleraar trekvogelecologie Theunis Piersma en foto’s van onder andere Hans Peter Föllmi en Annemarie Hoogwoud.

