Van graven tot kennisdeling: archeologie is overal

Een groot deel van de geschiedenis ligt onder onze voeten. Van potscherven tot volledige ruïnes van kastelen, we kunnen veel over onze voorouders leren als we in de grond graven. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) wordt er dagelijks gewerkt aan dit soort opgravingen, op de afdeling archeologie. Maar graven is niet het enige onderdeel van archeologie. Jos Bazelmans, hoofd archeologie bij het RCE, vertelt over zijn afdeling en de uitdagingen waar de archeologische sector mee te maken krijgt.

Al van jongs af aan is Jos gefascineerd door archeologie. “Ik had als jonge jongen zelf iets gevonden, waarmee ik toen naar de lokale archeologie club ben gegaan. Dat was een hele actieve groep amateurarcheologen, die onder de verantwoordelijkheid van de Universiteit Groningen meehielpen bij een opgraving in het zuiden van Nederland. Ze werkten daar iedere zaterdag en ik kon gewoon mee doen!” Jos begon daarna mee te helpen bij meer opgravingen en werkt nu inmiddels 20 jaar bij de RCE, waarvan de afgelopen zeven jaar als afdelingshoofd archeologie.

Leren van vroeger

Bij archeologie denken we gelijk aan speuren in de grond, maar volgens Jos is het veel meer dan dat. “Opgraven is een van de methodes, maar archeologie is in principe een sociaalhistorische wetenschap. Het gaat om de studie van mensen en samenlevingen van vroeger.” Jos merkt daarbij op dat er in de afgelopen jaren een verschuiving is geweest in de manier waarop archeologie wordt bestudeerd: “40 jaar geleden liep de archeologie tot en met het jaar 1500, men maakte geen serieuze studie van 1500 tot heden. Intussen wordt de archeologie doorgetrokken tot en met de Tweede Wereldoorlog.”

Veldwerk en kennissystemen

Vandaag de dag wordt er bij de afdeling archeologie van de RCE gewerkt aan allerlei verschillende projecten. “Als ik het heel abstract opsom, zijn er vier grote taken waar mijn afdeling aan werkt. Ten eerste doen we veldwerk op plekken waarvan we het vermoeden hebben dat het een rijksmonument kan worden, zodat ze wettelijk beschermd zijn.”  Om dit soort plekken te beschermen moet er wel een goede reden voor zijn. Daarom doet de RCE vooraf verkennend onderzoek op de aangewezen plekken, om in kaart te brengen wat er zit en welke waarde het heeft.

Daarnaast adviseert het team verschillende rijks- en convenants partners over de kwaliteit van archeologisch onderzoek bij de projecten die door de partners worden uitgevoerd. “We werken bijvoorbeeld samen met Rijkswaterstaat. Zij leggen grote wegen aan en wij kijken dan of het archeologische onderzoek goed wordt uitgevoerd. Wij doen het onderzoek dus niet zelf, maar kijken mee bij het hele proces.” Daarnaast is de RCE al lang betrokken bij de Maaswerken en adviseren ze onder andere Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

De RCE is een kennisinstituut, waar kennisproducten worden ontwikkeld om de archeologische markt beter te laten functioneren. “Dat kan gaan van het opstellen van een richtlijn voor het gebruik van geofysisch onderzoek tot het ontwikkelen verwachtingsmodellen (kaarten waar je archeologie kan verwachten),” legt Jos uit.

Als laatste grote taak noemt Jos de verantwoordelijkheid voor Archis. Dit is een kennissysteem waarin alle archeologische vondsten worden geregistreerd die in Nederland zijn en worden gedaan. Maar ook al het archeologische onderzoek wat in Nederland is gedaan wordt opgenomen in dit systeem. “Dit kennissysteem wordt ook genoemd in de Erfgoedwet. Het is een wettelijke plicht van de minister, waar wij vorm aan geven.”

Uitdagingen in de sector

Hoewel er bijna wekelijks nieuwe vondsten worden gedaan en de archeologische onderzoeken voortdurend aan de gang zijn, kampt de sector met grote uitdagingen. “We moeten beter kijken naar hoe we non-professionals betrekken bij archeologisch onderzoek. Het moet verder gaan dan alleen maar het presenteren van resultaten, we moeten ervoor zorgen dat mensen zo betrokken worden dat ze tijdens veldwerk, zelfs in de voorbereiding ervan, en tijdens uitwerkingen meedoen. Het gaat om co-creatie. Dat zie je ook bij Faro, het gaat verder dan alleen het informeren van mensen. We zijn daar nog niet heel ver in.”

Ook is duurzaamheid een grote uitdaging. “Hierbij kunnen we ons afvragen hoe we een representatief deel van ons bodemarchief behouden voor de komende vijf generaties. Vanaf de Tweede Wereldoorlog hebben we in razend tempo een enorm aandeel van ons bodemarchief opgeruimd. Archeologie is een bron die op een gegeven moment uitgeput raakt;  ze kan zich nooit meer herstellen.” De beste oplossing is om de archeologie te behouden in situ (op locatie), maar in Nederland blijkt de uitvoering daarvan erg lastig, geeft Jos aan.

Systeem heruitvinden

Omdat behoud in situ niet goed kan worden vormgegeven wordt er heel veel opgegraven. Over de kwaliteit van het gravend onderzoek heeft Jos zijn twijfels: “20 jaar geleden is ervoor gekozen om de archeologie op de markt te zetten. Daardoor kwam er een enorme prijsdruk op de sector, maar was er in het veldwerk te weinig tijd en geld om het onderzoek goed te doen. Er komen dan mensen in het veld te staan die laagbetaald zijn, met weinig ervaring. Alhoewel de kwaliteit van het veldwerk wordt gewaarborgd door een senior archeoloog, is deze veelal maar zeer oppervlakkig betrokken bij de uitvoering van het veldwerk.” In de archeologische sector is het een groot debat, waarbij tegenstrijdige belangen ervoor zorgen dat overeenstemming lastig wordt.

Volgens Jos komen er steeds meer nadelen van het huidige archeologische systeem aan het licht. “Er zit nergens een bodem in de archeologische markt, dus partijen beconcurreren elkaar steeds intensiever. Het is een ‘race tot he bottom’ en het einde hebben we nog niet bereikt. We verkeren in een situatie waarin we de sector moeten heruitvinden.”

Heruitvinden in een commercieel systeem is moeilijk, maar Jos heeft wel opties op het oog. “We hebben de laatste jaren veel geïnvesteerd in betere kwaliteitsnormen, maar dat gaat voornamelijk over de stapjes die je moet doorlopen tijdens het onderzoek. Het gaat hierbij uiteindelijk niet over wat échte kwaliteit bepaalt. Mijn voorstel zou zijn om veel nadrukkelijker te gaan zoeken naar kwaliteitsborging, door middel van collegiale toetsing en met een vereniging voor professionele archeologen die toeziet op professioneel gedrag.”