Onlangs werd Kunstmuseum Den Haag gewaardeerd als een van de mooiste monumenten van Nederland. Een opvallende verschijning tussen de – veelal – kastelen en paleizen die in de top vijf van het onderzoek van Hendrik Beerda staan. Ook het museum zelf is een opvallende verschijning: een art decogebouw opgetrokken in gele baksteen, ontworpen door architect Hendrik Petrus Berlage. Én een kunstwerk op zich. Als een van de weinige musea ter wereld is het gebouw onderdeel van de collectie. Doede Hardeman, hoofd Collecties bij het Kunstmuseum Den Haag, vertelt over de architectuur en filosofie van Berlage: een museum voor de menselijke maat.
Vakmanschap in elk detail
In 1912 wordt H.E. van Gelder directeur van het Kunstmuseum, dan nog het Gemeentemuseum Den Haag. Hij droomt van een nieuw te bouwen museum: groots, met allerlei maatschappelijke functies. Na de Eerste Wereldoorlog vindt Van Gelder hiervoor steun bij de gemeente Den Haag. De architect wordt H.P Berlage, die dan al een behoorlijke staat van dienst heeft. In 1927 krijgt hij officieel de opdracht van de gemeente voor het ontwerp, dat vanwege financiële tekorten kleiner wordt. ‘Het waren de jaren ’30 en Nederland zat in economische crisis,’ licht Doede Hardeman toe. ‘Aan alles was gebrek, behalve aan arbeid. Het museum werd in omvang weliswaar bescheidener, maar juist rijker in zijn ontwerp. Er zit zoveel aandacht in van verschillende vakmensen. En dat zie je terug in alle details: van de deuren tot het metselwerk.’
Museum voor de menselijke maat
Berlage zelf zou de voltooiing van het museum in 1935 niet meer meemaken; hij overleed een jaar eerder. Het Kunstmuseum werd zijn laatste hoogtepunt en een totaalkunstwerk op zich. Doede: ‘De filosofie van Berlage was bepalend voor het ontwerp: het moest een museum op menselijke maat worden, een plek voor “de gewone man.”’ Dat is volgens Doede in het hele museum terug te zien: ‘Berlage wilde dat mensen even loskwamen van de dagelijkse beslommeringen en vergeleek het museum met een wandeling door het bos. De pergola voor het gebouw schept letterlijk afstand tussen het leven op straat en het museum. En als je door het museum loopt, zijn er afwisselend open plekken, dichtere ruimtes, plekken met meer intimiteit en plekken met meer overzicht.’

Museummoeheid en je creatief openstellen
Doede erkent dat die indeling ook als onoverzichtelijk kan worden ervaren. ‘Zo weet ik na al die jaren ook nog steeds niet precies welke deur er naar binnen of buiten opent. Pas later begreep ik dat dit een bewust idee was van Berlage. Hij vond: op het moment dat je loskomt van het gewone, kun je je creatief openstellen.’ Doede hoort ook nu nog van veel bezoekers dat ze het museum als rustgevend en intiem ervaren. ‘Met name wanneer je het Kunstmuseum vergelijkt met internationale musea die later in de 20e eeuw gebouwd zijn. Vaak zijn dit groots uitgebouwde panden met moderne vleugels. Prachtig – maar ook plekken waar je vaak bekaf weer naar buiten komt.’ Om die “museummoeheid” te voorkomen, ontwierp Berlage daarom zalen van bescheiden afmeting – oftewel op menselijke maat – en verschillende grootte.
De harmonie tussen het museum en de tentoonstellingen
De grootte en indeling van de zalen zijn leidend voor iedere tentoonstelling in het Kunstmuseum. Dat heeft voor- en nadelen, die Doede in zijn tijd als conservator regelmatig heeft ondervonden: ‘Ik heb me een aantal keer in de vingers gesneden met schilderijen van groot formaat, dat lukt niet met de doorgangen. Hetzelfde geldt voor installaties. Maar buiten dat sta je in dit museum bij het maken van een tentoonstelling altijd met 2-0 voor. De architectuur van het gebouw is in harmonie met de tentoonstellingen die er te zien zijn, het is er immers voor gemaakt. Dat is heel anders dan wanneer je de architectuur en inrichting van een tentoonstelling nog moet bouwen. In deze tijd denken veel musea na over duurzaamheid, en daar valt het maken van tijdelijke inrichtingen (zoals wanden en sokkels) ook onder. Hier is het bijna komisch als je iets in de zalen bouwt. Dat doen we dan ook vrij weinig.’
Daglicht en duurzaamheid: een zoektocht
Op het gebied van duurzaamheid kent het gebouw ook beperkingen en uitdagingen. In 1998 werd het pand grondig verbouwd, met veel respect voor het monument. ‘Dat is wel echt killing geweest voor de duurzaamheid,’ stelt Doede. ‘We hebben de afgelopen jaren erg veel moeite met het energieverbruik en zijn in gesprek met de gemeente dat daar een verduurzamingsslag in komt. Dat betekent dat we met een andere bril moeten kijken naar de ramen of zelfs het daglichtaspect. We kunnen nu namelijk geen zonnepanelen kwijt.’ Daglicht is voor het ervaren van kunst het mooiste, en dat voerde Berlage ingenieus door in alle ruimten. Zo maakte hij schachten die het daglicht naar de onderste zalen konden brengen. Doede ziet de zoektocht naar de balans tussen de authentieke elementen en de nodige verduurzaming als positief. ‘We hebben als museum een verantwoordelijkheid en moeten nu creatief kijken naar de mogelijkheden. Dat is tot nu toe een pril maar interessant traject.’

Een schilderij van Mondriaan in het trappenhuis
Wie binnenkort het Kunstmuseum Den Haag bezoekt, raadt Doede aan om ook eens goed naar de architectuur te kijken. ‘Bijvoorbeeld de Erezaal van het museum, waar we redelijk recent een glas-in-lood van Bridget Riley hebben geplaatst. En natuurlijk het trappenhuis, waar kunstenaar Sol LeWitt een enorme wandschildering maakte. Je hebt daar daglicht van boven en een mooi tegelpatroon dat op veel plekken terugkomt. Het trappenhuis heeft sowieso een bijzondere geschiedenis. Toen het museum openging, kreeg het een schilderij van Mondriaan geschonken. Dat heeft waarschijnlijk een hele tijd in het trappenhuis gehangen, waar het een relatie aanging met de architectuur van het pand. Nu hangt het werk, ‘Compositie met gele lijnen’, op zaal in onze vaste collectie.’ Maar de mooiste plek van het museum is volgens Doede zijn werkkamer, waar hij vrijwel dagelijks komt. ‘Het is een groot voorrecht om elke dag kantoor te houden in zo’n bijzonder gebouw.’

