Het niet bewaren van archeologische vondsten, ook wel deselectie genoemd, komt in de praktijk slechts in beperkte mate voor en vrijwel altijd wanneer daar een duidelijke noodzaak voor is. Extra handhaving is daarom niet nodig. Ook plaatst de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed vraagtekens bij de noodzaak van een wettelijke regeling voor deselectie. Dat blijkt uit een onderzoek naar deselectie in de archeologische praktijk, dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden. Wel benadrukt de Inspectie het belang van een zo zorgvuldig mogelijke documentatie van vondsten die worden verwijderd, zodat toekomstig onderzoek mogelijk blijft.
Spanning tussen Erfgoedwet en praktijk
De Erfgoedwet schrijft voor dat alle vondsten die tijdens archeologische opgravingen worden gedaan, moeten worden bewaard. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar type vondst, materiaalsoort, onderzoekswaarde of hoeveelheid. In theorie betekent dit dat elke houtskoolsnipper, dakpanscherf of ander fragment een plek in het depot moet krijgen.
In de praktijk wordt hier al jarenlang anders mee omgegaan. Archeologische vondsten worden tijdens of na opgravingen geselecteerd, in het veld achtergelaten of op een later moment verwijderd. Deze deselectie vindt plaats op verschillende momenten in het archeologische proces en is strikt genomen niet in lijn met de huidige wetgeving.
Aanleiding voor onderzoek
Bij de evaluatie van de Erfgoedwet is deze spanning tussen wet en praktijk door meerdere partijen, waaronder de Inspectie, nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Voor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap was dit aanleiding om te verkennen of aanpassing van de wet wenselijk is. De Inspectie besloot daarop een inventariserend onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van deselectie in de archeologie. Daarbij stond de vraag centraal of wettelijke ruimte voor deselectie nodig is, of dat juist striktere naleving van de bestaande regels vereist is.
Deselectie gebeurt terughoudend
Uit het onderzoek blijkt dat deselectie, afgezet tegen de totale hoeveelheid archeologische vondsten, beperkt voorkomt. Meestal gaat het om situaties waarin sprake is van een duidelijke noodzaak, zoals gezondheidsrisico’s, sterk vergaan materiaal of zeer grote hoeveelheden vondsten uit stedelijke contexten.
De Inspectie adviseert de minister daarom zorgvuldig af te wegen of een wetswijziging nodig is. De huidige regelgeving lijkt vooralsnog het gewenste effect te hebben: vondsten worden slechts in uitzonderlijke gevallen verwijderd. Certificaathouders en depotbeheerders zijn zich bewust van de wettelijke plicht om archeologisch materiaal te behouden. Een wetswijziging kan bovendien ongewenste neveneffecten hebben, omdat uitzonderingen juist tot nieuwe vragen en onduidelijkheid in de praktijk kunnen leiden.
Nadruk op betere documentatie
Wel onderstreept de Inspectie het belang van een zorgvuldige en uitgebreide vastlegging van vondsten die toch worden verwijderd. Denk aan documentatie, determinatie, bemonstering en bijvoorbeeld fotografische vastlegging. Op die manier blijft het mogelijk om op een later moment alsnog onderzoek te doen. Deze aanbeveling geldt zowel voor archeologische certificaathouders als voor depotbeheerders.

