De rechten van de ontwikkelaar bij toevallige archeologische vondsten

cc 0
Archeologie. Afbeelding via wikimedia

In de Erfgoedstem is onlangs een verwijzing naar het artikel “toevallige archeologische vondsten bij bouwprojecten van december 2014” in het Tijdschrift voor Bouwrecht opgenomen. Het artikel zit echter achter een betaalmuur. De laatste week zijn aan mij, door lezers van de website, een aantal vragen gesteld over de verhouding tussen gemeente en ontwikkelaar. Kort zal ik hier onder schetsen dat de positie van de ontwikkelaar in de huidige erfgoedwetgeving behoorlijk sterk is.

Kern van de rechten en plichten van de ontwikkelaar is verwoord in artikel 53 van de Monumentenwet. De vinder moet de archeologische vondsten waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat deze van belang zijn bij de Minister melden. Ook moet hij het gevonden voorwerp (“het roerende monument”) zes maanden lang ter beschikking houden of stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Geldt de melding voor alle archeologische vondsten van belang (potten, kruiken, munten, muren, kelders enz.), het bewaren van de vondsten geldt alleen voor de voorwerpen en niet voor bouwkundige structuren, die men als “onroerend” zou kunnen beschouwen (kelders, muren etc.). Ook grondsporen in de vorm van bodemverkleuringen (bijvoorbeeld grafresten in zandige bodems, waar het stoffelijke lichaam is vergaan tot een “schaduw” in de grond) zijn geen voorwerpen en kunnen na melding worden verstoord, dan wel vernietigd. Voor dierlijk dan wel plantaardig materiaal geldt strikt theoretisch gezien, dat zelfs niet eens een melding nodig is. De Monumentenwet spreekt namelijk van “vervaardigde zaken”, en daar is hier geen sprake van. Let wel, het wordt aan de kennis/het vermoeden van de vinder overgelaten of iets archeologisch belangrijk genoeg is voor een melding of niet. Dat is in veel gevallen voor een vinder niet te bepalen. Ik wil hier er bijvoorbeeld op wijzen dat in bepaalde gedeelten van het land heel lang op een traditionele wijze is gebouwd en alleen voor een expert het soms uit te maken is of een muurtje van IJsselsteentjes uit 1910, dan wel uit 1725 dateert.

Vermeld mag worden dat voor de verstoorder geen bouwstop geldt, dan wel een verplichting tot in situ bewaren. Het gevonden bronzen zwaard kan (in theorie) bijvoorbeeld uit de bodem worden gelicht en veilig worden opgeslagen, waarna de bouwwerkzaamheden kunnen worden voortgezet.

Bij toevalsvondsten zijn archeologiebewuste gemeenten al snel geneigd de bouwwerkzaamheden stil te laten leggen. Jammer genoeg geldt hier dat alleen de Minister dit bij een verleende omgevingsvergunning kan doen (en deze is hier slechts in zeer uitzonderlijke situaties toe bereid). Een dergelijke stap van de gemeente heeft daarom, behoudens zeldzame uitzonderingen, geen juridische grondslag. Zelfs de melding van een toevalsvondst hoeft niet bij de gemeente plaats te vinden, maar bij het Rijk.

Ook het kostenverhaal blijkt voor de overheid een moeilijke zaak. Uit de wet en de wetgeschiedenis blijkt dat de stelregel “de verstoorder betaalt” niet van toepassing is op toevalsvondsten. Wie voldoende de archeologische waarden van een gebied heeft onderzocht en tegen alle verwachtingen bij het bouwen geconfronteerd wordt met toevalsvondsten is daarvoor niet aansprakelijk. De kosten van het onderzoek en de eventuele bouwvertraging zijn dus niet voor de ontwikkelaar. Mocht de vinder een in geldelijke termen waardevolle archeologische vondst per toeval doen, dan wordt de waarde van de vondst in gelijke delen verdeeld over de vinder en de eigenaar van de grond. De overheid wordt dus geen eigenaar en zal als zij dat wil de vondst(en) moeten verwerven.

Rest hier nog te vertellen dat archeologische toevalsvondsten zich volgens de wet niet alleen voordoen in ‘uitonderzochte terreinen”, dan wel terreinen zonder een archeologische onderzoeksplicht. In gebieden met een zeer fors haperende archeologische onderbouwing in de desbetreffende bestemmingsplannen, gelden alle vondsten als toevalvondsten (m.u.v. vondsten op archeologisch beschermde terreinen).

De vraag is wat “men” (meestal de gemeente) zou kunnen doen. Als de (zeer vaak genoemde) semi oplossingen van een betere archeologische onderbouwing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, alsmede voorlichting buiten beschouwing gelaten worden, dan blijft er voor een gemeente weinig over. Het beste praktische middel lijkt mij dat een gemeentelijk archeoloog of diens assisentent(en) bij bouwprojecten de vinger aan de pols houden en om de zoveel tijd de bouwputten bezoeken.

Bericht door Johan Teters. Er is door Johan al eerder een artikel over dit onderwerp gepubliceert in het blad “Data Juridica” van Kluwer: www.open.navigator.kluwer.nl

The following two tabs change content below.

Johan Teters

Johan Teters is planoloog, milieukundige en historisch geograaf. Hij heeft als erfgoeddeskundige gewerkt bij diverse gemeenten, de provincie Noord-Brabant en bij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak. Hij werkt nu freelance en heeft zich gespecialiseerd in erfgoedrecht en erfgoed in de ruimtelijke ordening. Daarnaast publiceert hij met enige regelmaat over historische geografie, monumentenzorg en erfgoedrecht.

Laatste berichten van Johan Teters (toon alles)