Deze site is 'Under Construction', nog even geduld
Trajanuszuil. Overwinning van Trajanus op het opstandige Dacië. Kessel?
Trajanuszuil. Overwinning van Trajanus op het opstandige Dacië. Kessel?

Caesar was here… or was he? Mediahype rond een massamoord

VU-archeologen ontdekken locatie historische veldslag Caesar in Nederlands rivierengebied (…) Het bewijs is daar: Julius Caesar richtte in Nederland een massaslachting aan.

Door Evert van Ginkel

Voor de tweede keer dit jaar, na het TRB-grafveld van Dalfsen, haalde een Nederlandse archeologische ontdekking de pers op hoog niveau. Landelijke dagbladen plaatsten het nieuws prominent, en VU-hoogleraar archeologie Nico Roymans mocht het in prime time  presenteren in De Wereld Draait Door: het vroegst bekende slagveld van Nederland was ontdekt, na jaren onderzoek. Of eigenlijk niet zozeer een slagveld als wel een killing field, waar in 55 v.Chr. het leger van Julius Caesar twee Germaanse stammen, mannen vrouwen en kinderen, had uitgemoord.

Plaats van handeling: het Brabantse dorp Kessel, vlakbij de plek waar Maas en Waal samenkomen, precies – of: bijna precies – zoals Caesar het zelf beschrijft in zijn befaamde oorlogsverslag De bello Gallico. Archeologische vondsten vormen het tastbare bewijs dat de slachtpartij hier inderdaad heeft plaatsgevonden en dat Caesar niet zomaar iets verzon om indruk te maken op zijn lezers.

Zwaarden, speerpunten, een helm en vooral veel botten met sporen van dodelijk letsel vertellen hun stille verhaal over het drama. De tot voor kort alleen aan gymnasiasten bekende Usipeten en Tencteren, die tegen Caesars wil over de Rijn waren getrokken en daar zwaar voor moesten boeten, waren opeens nationale gespreksstof.

In het persbericht van de VU viel meteen al de term `genocide’, en die deed het goed in de media. Zo goed, dat de kritische volger van archeologisch nieuws graag wil weten: is het wel nieuws? En: is het geloofwaardig? Op grond van wat er nu bekend is gemaakt, zijn daar wel vraagtekens bij te plaatsen.

Uit Brabant niets nieuws
Al zolang Caesar wordt gelezen, zijn er kenners en uitleggers van zijn, slechts in middeleeuwse kopieën bewaard gebleven geschriften. Die hebben uitvoerig gezocht naar iedere stam, ieder oppidum en ieder gevecht dat de veldheer beschrijft. De episode die nu in het nieuws centraal staat, is altijd een dankbaar onderwerp van discussie gebleken.

Het heeft niet veel zin om hier dieper in te gaan op de mitsen en maren van Caesars topografische beschrijvingen, zoals het feit dat hij het heeft over een samenvloeiing van Maas en Rijn waar het duidelijk om de Waal gaat. Niet, dat die discussie zinloos is, maar ze zou het hele verdere betoog overbodig maken.

Laten we volstaan met te constateren dat Caesars beschrijving van de Germaanse volksverhuizing en zijn eigen opmars gedetailleerd lijkt, maar zich in feite in een geografisch luchtledig afspeelt.

Fig. 21 def
opmars naar Kessel

Het in het VU-persbericht opgenomen kaartje (hier links) is een vlotte versimpeling van een onontwarbare werkelijkheid. Ook het door Caesar genoemde aantal van 430.000 al dan niet gedode Usipeten en Tencteren laten we voor zijn rekening, net als het kleinere maar al evenmin realistische aantal van `150.000 tot 200.000’ dat Roymans heeft genoemd en waarvan `60 tot 70%’ over de kling zou zijn gejaagd (Trouw 10/12/2015).

Zo’n massamigratie zou de vermoede bevolking van toenmalig Nederland in één keer hebben verdubbeld of verdrievoudigd, en het in één of enkele dagen vermoorden van zoveel mensen is zelfs in de genocidale topjaren ‘41 -‘45 niet gelukt.

In dit verband kunnen we volstaan met te constateren dat al (veel) langer werd vermoed dat de locatie van het gevecht in het rivierengebied lag. Van Es noemde 35 jaar geleden in De Romeinen in Nederland `Gorinchem of St-Andries’ als plaats van handeling, de Belgische archeoloog De Laet aanhalend die dat al in 1961 stelde. Deze zal het op zijn beurt mogelijk hebben overgenomen van niemand minder dan Napoleon III, die al een kleine eeuw eerder `le Fort St.-André ‘ had aangewezen als de door Caesar aangeduide plaats van samenvloeiing. St-Andries ligt op een speerworp afstand van Kessel.

Vervolgens is het Roymans zelf geweest, die in 2004 uitgebreid stilstond bij deze plek in zijn boek Ethnic Identity and Imperial Power, en er de veldslag lokaliseerde. Met andere woorden: de opvatting over de plek is niet nieuw. Of hij klopt, is een andere kwestie.

Maar het nieuws is er nu juist in gelegen, dat daar allerlei vondsten zijn gedaan die op zo’n gevecht (of massaslachting) zouden  wijzen. Die vondsten – wapens, attributen en menselijk botmateriaal – zijn ook al langer bekend. In Verleden Land (1981) staat een zwaard afgebeeld dat bij Kessel uit de Maas is opgebaggerd. Het wapen, gevonden begin jaren ’70, wordt dan nog onder de noemer `Batavenspullen van een baggeraar’ gerangschikt. In de decennia die volgen, komt er méér boven water: meer zwaarden, speerpunten, een Gallische helm, typische `gordelhaken’, resten van bronzen ketels, munten, aardewerk. En dan zijn er de botresten die tussen 1991 en 1993 zijn verzameld door vader en zoon Stolzenbach, verzamelaars van fossielen.

Het gaat  trouwens niet alleen om menselijke resten, al ligt daar vanzelfsprekend sterk de nadruk op. Naast de circa 650 menselijke beenderen en schedelfragmenten zijn er meer dan 100.000 (!) dierenbotten opgebaggerd op deze plek, merendeels van runderen, maar er zaten ook 10.000 paardenbotten en zelfs 1000 hondenbotten bij. Is deze overweldigende massa te beschouwen als toevallige bijvangst, of zegt het iets over deze plek? Er wordt in de berichtgeving met geen woord over gerept.

Des te meer aandacht is er voor de verwondingen waarvan de sporen op sommige (mensen)botten te zien zijn. Op sommige, lang niet op alle. In een artikel uit 1999 van Muuk ter Schegget, waar Roymans’ publicatie uit 2004 deels op leunt maar nu nergens wordt genoemd, is sprake van negen bot- en schedelfragmenten met sporen van – in de gevallen van de schedels dodelijke – traumata. Deze vondsten zijn de afgelopen jaren uitgebreid behandeld in publieksboeken (zoals Op zoek naar de Kelten van Leo Verhart  uit 2006 en Onder heide en akkers door schrijver dezes en Liesbeth Theunissen uit 2009) en zwaarden en gordelhaken uit Kessel zijn sinds een paar jaar te zien in de Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden.

In al deze gevallen wordt een interpretatie van vondsten en vindplaats gegeven die rechtstreeks is afgeleid van Roymans’ boek uit 2004. Daarin schreef hij expliciet dat de vindplaats niet te duiden is als weerslag van het gevecht uit 55 v. Chr. – waarvan hij zoals gezegd wel aanneemt dat dat daar heeft plaatsgevonden – maar van een plek met een eeuwenlange rituele functie. En hij had daar goede redenen voor, zoals hieronder zal blijken.

Als er iets nieuws is aan de vindplaats en de vondsten, is het de nieuwe duiding als residu van een gevechtsterrein. Vanwaar deze ommezwaai, en waarop kan die zijn gebaseerd?


Selectieve waarneming
De archeologische aanwijzingen of zelfs `bewijzen’ voor de locatie van de Usipeten-en-Tencterenslag zoals die in het persbericht van de VU zijn opgesomd, laten zich als volgt samenvatten: a) de zwaarden, speerpunten en `Germaanse gordelhaken’ dateren voor het overgrote deel uit de (vroege) 1e eeuw v.Chr.; b) er zijn naast resten van mannen ook resten van vrouwen en kinderen gevonden, en Caesar schrijft dat ook die meedogenloos werden afgeslacht; c) de al genoemde verwondingen op sommige van de botten; d) de C14-dateringen van  de skeletresten, waaruit blijkt dat ze `uit de Late IJzertijd’ stammen, en e) de recent uitgevoerde analyse van strontium in het tandglazuur van drie individuen, waaruit blijkt dat deze personen `niet autochtoon waren in het Nederlandse rivierengebied maar van elders kwamen’.

Dit klopt allemaal en kan op zich allemaal wijzen op de identificatie van de vindplaats met de last stand van de ongelukkige Germaanse migranten. Maar er is méér over te zeggen, wat vast niet zonder reden is weggelaten uit het persbericht.

Weer Roymans’ eigen publicatie uit 2004 openslaand, lezen we een veel genuanceerder verslag over de dateringen. Zeker, het grootste deel van de wapens en andere attributen dateert uit `La Tène D’, en dan weer vooral uit de subfase D2. Die valt in de eerste eeuw v.Chr., maar beslaat wel een tijdvak van een halve eeuw, tussen 80 en 30. Daar valt het jaar 55 inderdaad binnen, maar daar is ook alles mee gezegd. Een precieze datering is op typologische gronden niet te geven, meldt Roymans met nadruk. Bovendien zijn er, zoals gezegd, ook de nodige voorwerpen opgebaggerd die duidelijk ouder én jonger zijn dan de genoemde periode. Zo is er een aantal Romeinse zwaarden gevonden – enkele spathae en twee gladii – uit de eerste eeuw na Chr. Die kunnen dus niet uit de slag afkomstig zijn, maar ze zijn wel op min of meer dezelfde plek terechtgekomen. Ze worden in de nieuwsberichten niet vermeld, evenmin als talloze andere vondsten van na het begin van de jaartelling.

Slechts één categorie zwaarden wordt speciaal aan de cruciale periode La Tène D2 toegeschreven: lange zwaarden met typische gevesten, aangeduid als het type-Kessel. Waarom deze naam? Omdat Roymans, in 2004 althans, veronderstelde dat het hier ging om een product van plaatselijke smeden.  Hij baseerde zich op overtuigende verspreidingskaarten. Ook de `Germaanse’ gordelhaken, die nu impliciet of expliciet  aan de Usipeten/Tencteren worden toegeschreven, beschouwde hij in 2004 als regionale producten, afgeleid van Noordduitse voorbeelden. Ze hebben dus inderdaad een Germaans aspect, maar niet in directe zin en zeker niet Usipetisch of Tencteers, stammen niet zo ver in het noorden worden gezocht.

Dan de botten. Een bescheiden selectie daarvan is nu opnieuw bekeken en mogelijk komen daaruit nieuwe resultaten voort die we nog niet kennen. Maar het is niet zo, dat er nooit eerder of intensief naar gekeken is. Muuk Ter Schegget kon in 1999 van circa 30% van de circa 650 botresten vaststellen of ze van volwassen mannen, vrouwen of kinderen afkomstig waren; zij kon ongeveer evenveel mannen determineren als vrouwen en kinderen samen. Dat is niet strijdig met Caesars verslag van de slachting.

Zoals gezegd vertoonden negen van de 650 botten sporen van al dan niet dodelijk letsel. Dat wil niet zeggen dat er niet veel méér dan negen mensen uit de groep van minimaal 65 (Ter Schegget) of 100 (nieuwe informatie) individuen een gewelddadige dood zijn gestorven. Dat kan zelfs voor al deze personen gelden. Ook dit kan wijzen op massaal sneuvelen of afgemaakt worden, maar zeker weten doen we het niet. Het hoge percentage botten met trauma lijkt er wel op te wijzen.

Maar zijn ze allen omgekomen bij een gevecht of moordpartij in het jaar 55 v. Chr.? Dat is niet waarschijnlijk. Ik heb weinig gegevens over de nieuwe C14-dateringen. Een aantal van 25 is genoemd in een artikel in Kennislink.nl, maar het is me niet bekend of de 16 dateringen die Ter Schegget al had laten uitvoeren, daarbij zitten, en of die al dan niet herzien zijn. In ieder geval stamt de helft van de zestien door haar gedateerde botten zeker niet uit de Late IJzertijd, maar uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen, met een uitschieter in de twaalfde eeuw. Tussen die latere botten zitten overigens óók exemplaren met verwondingen. Ook als de genoemde acht latere dateringen van Ter Schegget nu op grond van voortschrijdend inzicht gecorrigeerd zijn, dat zou wel vermeld hebben mogen worden in de berichtgeving.

Maar wat zeggen die C14-dateringen, nog los van de latere jaartallen? `De Late IJzertijd’ of zelfs `de eerste eeuw v.Chr.’ bestrijken een bandbreedte van tientallen jaren. Een exacte datering, zelfs tot op tien jaar nauwkeurig, is met de C14-methode onmogelijk te geven. Alle vondsten zijn buiten enige stratigrafische context gedaan. Er is een globale samenhang met de andere late-ijzertijdvondsten, maar samen leveren ze nog geen datering op die iets bewijst over een gevecht in een zeker jaar. Ze kúnnen met dat jaar verband houden. Maar er zijn honderden andere mogelijkheden, waaraan nu – onverantwoord gemakkelijk – voorbij wordt gegaan.

Tenslotte de isotopenanalyse. Daar kunnen we kort over zijn: het is interessant te weten dat de geanalyseerde doden niet uit het rivierengebied kwamen, maar daarmee houdt het (voorlopig) op. Als niet bekend is (en dat is het niet, volgens onderzoekster Lisette Kootker in het bovengenoemde Kennislink-artikel) waar ze dan wél vandaan komen, zegt dat ons helemaal niets over deze mensen. Ze kunnen van de Veluwe komen, of uit Friesland, of uit Milaan, allemaal plaatsen waar andere strontiumisotopenverhoudingen voorkomen dan te Kessel. Onderzoek aan recent in de regio gevonden skeletten uit deze periode (Waalsprong) laat zien dat er nogal wat mobiliteit was; de aanwezigheid van migranten uit verre of minder verre streken is dus niet ongewoon. En ja, die migranten kúnnen ook Usipeten of Tencteren zijn. Nadere studie is zeker gewenst.

De interpretaties uit 1999 (Ter Schegget) en 2004 (Roymans) van Kessel als belangrijk ritueel centrum waren gebaseerd op een uitgebreide beschouwing van de vele aspecten van het gevonden materiaal, waarbij Ter Schegget ook internationale parallellen behandelde en Roymans de verschillende vondstcategorieën en hun samenhang gedetailleerd besprak. De mogelijkheden tot onderzoek van de verschillende materiaalcategorieën zijn nog lang niet uitgeput – denk aan de 100.000 dierenbotten! Er zijn in deze bovendien de afgelopen jaren meer van dit soort plekken gevonden in de omgeving (Lith, Haren) waar botten,wapens en andere voorwerpen bij elkaar worden gevonden. Die zouden verdere studie waard zijn, en de inzichten over de bijzondere vindplaats Kessel kunnen verdiepen.

Die gelaagde beschouwingen zijn nu ingewisseld voor één simpele redenering: Caesar maakt expliciet melding van deze plek – er zijn allerlei zaken gevonden uit min of meer die tijd van een gewelddadig karakter die het oude verhaal bevestigen – dus het moet wel zo zijn. Er is echter veel, té veel weggelaten uit het betoog over de `nieuwe ontdekking te Kessel’ om de met zoveel stelligheid te poneren dat we hier nu echt de plaats delict van een antieke genocide hebben gevonden.


Hype of historie?
Tot slot een laatste aspect  van de zaak-Kessel: de behandeling in en door de media, en de rol die de archeologen daarin spelen. Dat is, geef ik toe, meer een kwestie van smaak dan van feiten. Maar de lezer oordele zelf.

Het is prachtig als een archeologische vondst, toegelicht door een deskundige, breed in de populaire media wordt uitgemeten. Die aandacht heeft de Nederlandse archeologie hard nodig. Het is vanzelfsprekend dat, om dat te bereiken, bepaalde mediastrategieën worden toegepast, en ook, dat men niet al te veel op details kan ingaan – de pers, en zeker de Nederlandse televisie, verlangt een simpel verhaal van een half A-4tje, uitzonderingen daargelaten.

Vervolgens wordt dat verhaal speelbal van de eigen dynamiek van de media, en daar kan de deskundige meestal niets aan doen. Ongelukkige kop, verkeerd geciteerd, het belangrijkste aspect verkeerd begrepen: het komt allemaal voor en is niet te verhelpen. Het is wel enigszins te sturen. Natuurlijk zijn frasen als `het bewijs is geleverd’ terwijl er niets bewezen is, voor rekening van de journalist, maar zo’n uitspraak is hem nu op een presenteerblaadje aangeboden.

In het geval-Kessel is iets anders aan de hand. Er is feitelijk geen nieuws. Tenzij ik iets heb gemist, zijn alleen de drie weinig zeggende isotopenuitslagen een volkomen nieuw element. De rest was al bekend, al jaren en jaren. De feiten zijn geselecteerd op een manier die te denken geeft.

Het kan zijn dat er nu anders aan wordt gekeken tegen bepaalde C14-dateringen, tegen typologieën van bepaalde voorwerpen, dat er aanvullende analyses zijn gedaan die het beeld dat in 2004 zo overtuigend is geschilderd, wezenlijk veranderen. Maar daar wordt in de voorlichting die vanuit het onderzoeksinstituut is geleverd, niet over gerept, dus het is niet aannemelijk dat dit het geval is.

Tenslotte, maar ook dat is een kwestie van smaak, vind ik het hanteren van de term genocide in de VU-voorlichting niet heel gepast, althans: hij wordt wel erg nadrukkelijk gehanteerd. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hier wordt gemikt op de hang naar sensatie in een tijd van onthoofdingen en terreur. Als die indruk onterecht is, mijn excuses. Feit is dat verschillende media er blij op insprongen. Ha, genocide, ook bij ons! Toen ook al!

Het zou wel heel treurig zijn als Kessel alleen op deze manier in het nieuws gebracht kan worden. Want het is een bijzondere en belangrijke archeologische vindplaats, en Nico Roymans is een belangrijk archeoloog, die samen méér te bieden hebben dan sensationele verhalen over moord en doodslag. Zeker niet, nu de daders op het kerkhof liggen; want dat dat Caesars legioenen waren, is allerminst gezegd. Het kán zo blijken te zijn, zeker. Maar nu nog even niet.

The following two tabs change content below.
Evert van Ginkel is archeoloog en zelfstandig publicist. Hij houdt zich onder meer bezig met provinciaal-Romeinse archeologie en conflictarcheologie en is geïnteresseerd in de verhouding geschiedwetenschap-archeologie en de verhouding archeologie en media.

Laatste berichten van Evert van Ginkel (toon alles)

  1. Erg blij met uw artikel. Ik was al vanaf het begin sceptisch en heb een aantal van dezelfde bezwaren als u wat het hele verhaal betreft. Met name het gebrek aan Romeins Caesariaans materiaal wat afgedaan wordt door te stellen dat wellicht alleen het de Gallische hulptroepen waren die de slachtpartij aanrichtten (cf BG 4) En dat er totaal geen sprake kan zijn van onderlinge strijd (we weten dat Galliers maar ook Germanen en andere stammen elkaar lustig uitmoordden inclusief vrouwen en kinderen (Cf Gallisch massagraf met duizenden botten uit Frankrijk) stoorde mij.

    Ook de bewering dat het gat in de schedel van een vrouw alleen maar door een Pilum kan zijn veroorzaakt is enigszins bevreemdend. Ik heb schedels met ballista -en pila gaten gezien waar het gat een stuk vierkanter was. Dat er dan een helm in de media maar ook in het bericht van de VU zelf wordt gepubliceerd die een reconstructie van een Aagen-Port type La-tene III helm uit het Soesterbergs NMM museum betreft is kwalijk te noemen, zeker aangezien een foto van de daadwerkelijk gevonden helm beter was geweest. (tenzij de originele helm uit Soesterberg een van de baggervondst is uit Kessel maar dat dacht ik dus niet).

    Het grootste probleem echter heb ik met het Isotopen onderzoek. Je kan niet zomaar een lokaal bot uit de 7e eeuw v.Chr. nemen en dat als leidraad nemen voor een aantal botten uit de 1e eeuw v.Chr. Dat is een verschil van 600 jaar. Als er dan welgeteld drie individuen uit een groot bottenareaal zogezegd niet uit de buurt komen is er mijns inziens sprake van wishful thinking en natte vingerwerk. Verder is het duidelijk uit de tekst van Caesar wat zijn versie van de gebeurtenissen is. Hij zegt nergens dat er 430.000 mensen zijn afgeslacht maar dat de volksverhuizing (de twee stammen) ongeveer 430,.000 personen betrof. Wat hij eveneens te berde brengt is dat hij de “vijanden” had gewaarschuwd zijn cavalerie eenheid vrije doortocht te verlenen (ongeveer 5000 man tegen 800 van hen). Dat deden ze niet want ze vielen aan. Toen daarop de gezanten kwamen om (onder andere) excuses aan te bieden voor dat gevecht waar 74 ruiters van Caesar waren gesneuveld onder wie een nobele Aquitaniër, Piso genaamd, pikte hij het niet langer en zette die mensen, waaronder stamhoofden, vast en gaf opdracht tot een aanval. Hij schrijft verder dat hij het kamp aanvalt, dat de Germanen in paniek raken en dat zijn soldaten nog denkend aan het verraad van de vorige dag helemaal losgaan. De Germanen vluchten dan in de richting waar de Maas en Rijn bij elkaar komen (wist Caesar veel) waar ze niet verder kunnen en aangezien een groot aantal van hen al gedood was, in de rivier springen waar ze verdrinken mannen vrouwen en kinderen. Maar zelfs die passage is onvoldoende om met zekerheid te kunnen zeggen dat de plek bij Kessel en de baggervondsten zonder enige archeologische context zijn en het dus niet zeker is dat ze überhaupt op die ene specifieke gebeurtenis wijzen. Zouden in die regio de kampen worden gevonden van zowel Caesar als de Germanen wordt het een ander verhaal. Helaas is de kans daarop klein aangezien het gebied vrijwel geheel verspoeld is. Er zijn dus meer dan een paar twijfels over deze locatie alsmede kanttekeningen te plaatsen bij het onderzoek dat nu gedaan is en de conclusie die daar aan verbonden wordt.

    Dan nog even een kanttekening bij de “genocide”. Historici zien de dingen in hun tijdsgewricht en kleven daar meestal geen morele oordelen aan. Als een gehele stam wordt uitgemoord door de Romeinen (waarvan we niet weten hoeveel mensen het betrof) en we gaan uit van de overdreven aantallen die de antieke auteurs zelf aangeven zouden er heel wat meer massagraven zijn gevonden. Flavius Josephus beweert in zijn “Joodse Oorlogen” onder andere dat hij vrijwel in zijn eentje tienduizend mannen wegjoeg die hem kwaad wilden doen. We moeten antieke auteurs dus niet altijd al te letterlijk nemen. Of de slachtpartij een genocide was ? Nee vrij zeker niet. Er komen nog Tencteri en usipetes voor in latere geschriften en die hadden zich in wat nu Duitsland is gevestigd. Was het een massale slachting ? Ja, maar eerder vergelijkbaar met de resultaten van het bombardement op Dresden dan met een genocide. Je slacht in één dag namelijk niiet 150.000 mensen af. Dat is de Nazi’s zelfs niet eens gelukt in hun dodenkampen. Alleen met de atoombom werd dat aantal bereikt, en wel in één klap.

    H.J.Vrielink
    Student Oude Geschiedenis
    Leiden

  2. Als ik iets ter verdediging van het verhaal van professor Roymans zou moeten schrijven, zou ik beginnen met de verzuchting dat hij wel heel lang met dit verhaal heeft gewacht. Want al kort na zijn “Ethnic Identity and Imperial Power” uit 2004 gebruikte ik zijn studies voor een boeksynopsis over de Bataven— een verhaal dat op Nederlandse bodem z’n bewogen, zeer gewelddadige start zou hebben gehad in het Brabantse Kessel, rond 55 voor onze jaartelling.

    En mijn inziens gaven de archeologische vondsten die professor Roymans elf jaar geleden publiceerde daar ook voldoende stof voor. Niets van de materiële wereld is namelijk niet altijd in beweging, nu niet en toen niet. Zaken die naast elkaar bestaan zijn niet altijd even oud. Dingen die blijven liggen op dezelfde plek staan misschien alleen in een gebeurtenis in verband, maar hoeven dat niet persé met elkaar te zijn. En plekken die in één moment een dikke stip krijgen, worden vaak nog over langere tijd uitgeveegd.

    Als je vanuit dit fluïde gezichtspunt de archeologie van Kessel bekijkt, en weet dat archeologen hun conclusies graag breed houden, valt het materiaal desondanks opvallend tezamen in dat ene moment van een veronderstelde genocide. Professor Roymans’ bevindingen pastten in 2004 ook al in dat patroon. De C14-gedateerde schedels met verwondingen stamden volgens zeggen allen uit de Late Ijzertijd, slechts “a substantial smaller part” van het botmateriaal uit de eeuwen daarna. De datering van veel van de andere vondsten, zoals de fragmenten van bronzen emmers, wordt veiligheidshalve gesteld op “the Late La Tène or earliest Roman period”, hetgeen het eerste geenzins devalueert. En in het voorbeeld van de emmers wordt ook beschreven hoe deze multi-functioneel zijn geweest: geschikt voor in het huishouden, of op de ereplaats— wederom sluit de mogelijkheid van het laatste niet de eventuele waarheid van het eerste uit.

    In 2004 wierp professor Roymans echter zelf ook bezwaren op tegen de hypothese dat de rivier bij Kessel bezaaid lag met de resten van een slagveld. Waarom? Omdat er ook huishoudelijke spullen tussen zaten. Omdat de materialen een fabricagedatum hadden in de gehele Late La Tène periode. En omdat sommige wapens ‘ritueel’ beschadigd lijken te zijn voordat ze in de rivier terecht kwamen, en niet direct verloren in de strijd.

    Om die tegenwerpingen heb ik altijd een beetje moeten lachen. Kijk, dacht ik, hij durft niet… ! Hetzelfde anti-bewijs kan namelijk gebruikt worden om te zeggen dat er vele individuen van een volk (niet alleen krijgers) hier verzameld waren, de ouderdom van sommige objecten dat zij hun hele familiebezit bij zich hadden, en die kapotgemaakte wapens, ach, die zijn achteraf door de bebloede handen van hun overwinnaars gegaan.

    Dus nu hij het wel doet, nu professor Roymans wel het verhaal vastpint op dat ene catastrofale eind-, of (vanuit het standpunt van de bereden voorposten van Caesar’s nieuwe Germaanse bondgenoten, de Chattische Bataven) beginpunt, nu passen al die dingen evenzogoed in het geslepen gat van een huiverigwekkend-, doch in de Nederlandse geschiedenis zeer centraal verhaal. In dat verhaal heeft er bij Kessel in de Late Ijzertijd een catastrofaal verlies van voorwerpen plaats gevonden, en is de plek daarna door een nieuwe cultuur bezet geweest. Iemand heeft er het oude met haast opgeruimd, en er iets nieuws voor in de plaats gebracht. Als het duidelijker in verband wordt gebracht met de Bataven, wordt het verhaal nog liederlijker:

    ‘Huurlingen uit Duitsland hebben met steun van een Italiaanse veldheer het hart van Nederland ingepikt, en er vloeide afschuwelijk veel bloed bij’.
    Zo las ik het, in 2004 al.

  3. Evert,

    een goed opbouwend kritisch stuk op zijn van Ginkels. Je verwoordt weer perfect mijn eigen bedenkingen bij deze “scoop” en zelfs nog een paar meer. Helaas is het zo dat dergelijke oudhistorische gebeurtenissen altijd moeilijk archeologisch te onderbouwen zijn, en veldslagen al helemaal. Zelfs bij een gedocumenteerde slag als Waterloo worden er objecten gevonden die van eerdere gevechten aldaar kunnen stammen (slag bij Fleurus) en in het geval van Waterloo is het terrein zelfs vervuild door replica’s verloren door reenacters….Arme toekomstige waalse archeologen…

  4. (Ter correctie van mijn eigen reactie: elke verwijzing naar de Bataven kan maar beter geschrapt worden! Weliswaar had Caesar al vanaf 57 hulp van Germanen, en daarbij mogelijk ook ruiters, de naam ‘Bataven’ komt dan nog niet ter sprake!)

  5. Het verhaal aandikken voor extra geld t.b.v. meer onderzoek en aandacht voor archeologie kan geen kwaad denk ik.

    Frans

  6. ‘@Frans

    Ik wil hier toch even op reageren..

    Mijn interesse in de archeologie werd als leek zeker gewekt door het verhaal van Nico Roymans in DWDD. Zijn argumenten kwamen niet echt uit de verf. Behoudens enkele A4tjes op de site van de VU heb ik verder geen “bewijs” kunnen vinden, terwijl ik serieus mijn best heb gedaan om een onderbouwing te vinden. Zo kwam ik ook op deze site.

    Juist door de sensationele en glasharde claim (Caesar, Genocide, Romeinen,55 vchr) in combinatie met een nogal magere onderbouwing, heeft Nico Roymans wel extreem veel aandacht gegenereerd, maar de archeologie als serieuze tak van wetenschap voor mij vooralsnog geen dienst bewezen. Dat doet dit genuanceerde artikel gelukkig wel.

    “die link met Caesar” waar Nico Roymans het steeds over heeft bestaat vooral in het hoofd van Roymans zelf, zo lijkt het.

    Het ongefundeerd roepen van slogans als “Genocidaire slachting’ onder leiding van Julius Caesar bij Kessel” lijkt mij niet de juiste wijze om aandacht te vragen. Misschien krijgt de archeologie wel meer geld, maar ik betwijfel of dat geld dan op de goede plek komt.

    Jammer en verbazingwekkend dat Roymans zo is afgegleden, want ik vond zijn boek uit 2004 van een heel ander kaliber. Misschien moet de onderbouwing allemaal nog komen, maar dan blijft de vraag waarom hij die nu niet gebruikt?

  7. Ik heb een missend woordje toegevoegd in waar u schrijft: “Ze hebben dus inderdaad een Germaans aspect, maar niet in directe zin en zeker niet Usipetisch of Tencteers, stammen [+ die] niet zo ver in het noorden worden gezocht.”
    Wat overigens “niet in directe zin” hier mag betekenen, is me een raadsel.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

We hebben zorg genomen om alle rechthebbenden voor hier gereproduceerde foto's te traceren, soms evenwel zonder succes. Iemand die in dit opzicht meent rechten te hebben wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen met de redactie van de Erfgoedstem.