Deze site is 'Under Construction', nog even geduld

Namen brengen archeologie tot leven

Er is sprake van een groeiende traditie om menselijke resten die bij een archeologische opgraving aan het licht komen van een naam te voorzien. Na Trijntje, Krijn en Hilde kwam begin November opeens ‘Cees de Steentijdman’ het podium opgewandeld . Cees is de reconstructie van de al in 1990 gevonden “Man van Mienakker”. Gesteund door een slim opgezette PR-campagne haalde hij het tot  ‘De Wereld Draait Door’ en veroorzaakte zo rijen voor de deuren van het West-Fries Museum.  Iets dat archeologie niet altijd veroorzaakt. De bezoekers wilden graag eens oog in oog staan met een voorvader die na meer dan 4500 jaar uit de dood herrees. Waarom zijn archeologische vondsten met namen zo populair en is dit vaker toepasbaar? De Erfgoedstem ging in gesprek hierover met Dolf Muller, woordvoerder van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het is een rossige forse verschijning zo, Cees de Steentijdman. Getooid in kleding van dierenhuiden, een fors gezicht en een beetje boerse uitstraling. “Het is mooi dat de reconstructie blijkt dat hij ook een beetje ‘boers’ gebouwd is, zo komt ie toch weer dichterbij de vindplaats.” aldus Dolf Muller. Hij is een van de initiatoren van de PR-campagne achter de steentijdman. “Voor het nieuwe archeologisch museum in Castricum wilde de Provincie Noord-Holland verschillende figuren hebben uit verschillende tijdperken van de geschiedenis van Noord-Holland. Ze hadden al Hilde, de reconstructie van een vrouw uit de vroege middeleeuwen die gevonden werd in Castricum en het Brederode echtpaar, de eerste  kasteelheer en -dame van het gelijknamige kasteel. Nu hebben ze dus ook een figuur uit de steentijd” , aldus Muller.

Cees de Steentijdman. Foto via Provincie Noord-Holland
Cees de Steentijdman. Foto via Provincie Noord-Holland

Namen
“We weten uit ervaring dat namen het goed doen in de media.” zegt Muller. Waarom dat zo is? Aan namen hangen meteen allerlei associaties Een naam roept automatisch al een beeld op van een echt persoon.  We kunnen ons er ineens iets bij voorstellen, zelfs als het iemand is die al duizenden jaren dood is. Met  het beeld van een echt mens komen ook de vragen: Wat voor kleren droeg hij of zij, leefde hij alleen, hoe kwam hij aan zijn eten, hoe woonde hij?  Het biedt de archeologie een zeldzame kapstok om te vertellen wat we door al die opgravingen allemaal al te weten zijn gekomen.
Voor de archeologie is dat een waardevol gegeven. Er is over het algemeen een bovengemiddelde dosis fantasie voor nodig om van wat schamele botjes, grondverkleuringen en potscherven die er bij een opgraving naar boven komen een aansprekend verhaal te maken.

Fysieke reconstructie
Het maken van een fysieke reconstructie zoals dat bij Cees gedaan is maakt het helemaal af. De ook in 1990 gevonden Vlaardingse ‘Krabbeplasman’ werd in 2007 gereconstrueerd. Deze reconstructie haalde ook veel publiciteit. Het liet de Vlaardingers ook in oog staan met hun directe voorouder. Bij de onthulling van de ‘Krabbeplasman’ werd namelijk ook een de resultaten van een DNA onderzoek gepubliceerd waaruit bleek dat deze man 1300 jaar oud was. Bij de onthulling van de reconstructie door een fysisch antropoloog konden de bewoners van Vlaardingen oog in oog staan met hun(vermeende) voorouder.
Voor de mens en media is het dus belangrijk dat er wat te zien valt. Een beeld waar we al kijkend onze fantasie op los kunnen laten. Een vrouw, Geeske genoemd, met een kind die gevonden werd in Doesburg, is voer voor speculaties over haar laatste levensmomenten.

“Een vondst moet ook mysterieus zijn, er moeten spannende elementen in zitten.”

De eerste bewuste campagne
In de jaren ’70, is de eerste bewuste PR-campagne gevoerd rond de vondst van een begraving. ‘De man van Swifterbant’, nog altijd te zien in het Nieuwland Erfgoedcentrum in Lelystad, is een van de eerste Nederlandse vondsten die bewust is gemarket doormiddel van een PR-campagne. Toch is deze figuur in de vergetelheid geraakt. Muller: “Wellicht omdat hij geen naam had.”
Een vondst die nog niet vergeten is, is Trijntje, ‘de oudste vrouw van Nederland’. Zij werd in 1997 gevonden bij Hardinxveld-Giessendam. Haar naam is een verwijzing naar de trein. Muller: “De naam is bewust gekozen. De opgraving werd uitgevoerd in het tracé van de Betuwelijn vandaar de misschien wat flauwe naam Trijntje, wel met een lange IJ.”  De opgravingen bij de aanleg van de Betuwelijn waren de eerste commerciële en planmatig georganiseerde opgravingen in Nederland. Er was een apart projectbureau, er was budget en er was ook een reden om doelbewust de publiciteit op te zoeken.

Trijntje in het RMO Foto: Arch via Wikimedia
Trijntje in het RMO Foto: Arch via Wikimedia

Het project van de Betuwelijn was van zichzelf namelijk niet onomstreden. Daarom kwam het goed uit om een spectaculaire vondst vol in de media te brengen. Het was goede reclame voor het hele project, waar tot dan toe niet de resultaten waren geboekt waar de archeologen op hadden gehoopt. In de Volkskrant van 6 december 1997 is  te lezen: “Er is nog een reden waarom de ontdekking in Hardinxveld-Giessendam van belang is. (…) Het is de eerste spectaculaire vondst in het grootste archeologische project dat ooit in Nederland is opgezet.” Het was dan ook het oudste skelet van Nederland, en ook nog eens in perfecte staat geconserveerd. Ideaal materiaal dus om eens flink in de schijnwerpers te plaatsten.

Mysterieus
Volgens Muller, is het geven van een naam aan een vondst alleen geen garantie voor succes. “Een vondst moet ook mysterieus zijn, er moeten spannende elementen in zitten.” Daarnaast is het bij een goede PR noodzaak dat je een goede planning maakt en goede afspraken met de betrokken partijen. “Iedereen wil uiteindelijk een stukje van de taart meepakken” aldus Muller. Ook moet je een beetje mazzel hebben. “Op het moment dat er bijvoorbeeld een kabinet valt op het moment dat jij een persconferentie gepland hebt, zijn je maanden van voorbereiding voor niets geweest.”

Caspar Steinebach via de Erfgoedstem

The following two tabs change content below.

Caspar Steinebach

Caspar Steinebach (Leiden, 1984) woont in Utrecht. Hij studeerde journalistiek in Zwolle en archeologie in Amsterdam. Sinds 2013 is hij redacteur archeologie bij de Erfgoedstem. Voor TGV Teksten en Presentaties in Leiden deed hij onderzoek naar de beeldvorming van Nederlandse archeologie in de media. In 2014 richtte hij, CultureRoad op, dat zich bezig houdt met culturele producties.