Een van de grote opgaven van de huidige monumentenzorg is het vinden van een gepaste en betaalbare invulling van de vele honderden negentiende en twintigste-eeuwse cultuurhistorisch belangrijke objecten en complexen (kloosters, fabrieken, kerken, kazernes). Een groot deel daarvan ontbeert een monumentenstatus, omdat zij bijvoorbeeld te jong, niet belangrijk genoeg of simpelweg vergeten zijn. Vaak zijn deze objecten een loden last voor de publieke of private eigenaar: Herbestemming en onderhoud zijn financieel niet rendabel.
Een beproefd middel om sloop en verval te verkomen is dat voor het object een monumentenstatus wordt aangevraagd, veelal tot woede en verdriet van de eigenaar. Juridisch echter een onomstreden werkwijze: bij de aanwijzing staan de cultuurhistorische waarden voorop en spelen financiële onmogelijkheden nauwelijks een rol. Het geijkte commentaar van rechtbank en Raad van State is dat een monumentenstatus veranderingen aan het object niet in de weg staan, omdat deze door een vergunning mogelijk zijn. De moeizame weg van aanpassing en herbestemming wordt dus verplaatst na de aanwijzingsprocedure.
De Raad van State heeft dit standpunt echter gewijzigd. In een aantal recente zaken heeft deze aangegeven dat financiële haalbaarheid van exploitatie een belangrijke rol speelt bij de aanwijzing tot monument. Een kanttekening daarbij is dat de eigenaar goed beredeneerd (gemotiveerd) moet aangeven dat exploitatie van het huidige object een hopeloze zaak is en dat een mogelijke monumentenstatus daarbij voor nog meer problemen zorgt. De aanwijzende instantie mag niet meer volstaan met het doorschuiven van deze hete aardappel naar de vergunningsprocedure.
Als deze lijn zich doorzet (en daar heeft het alle schijn van) zou dit wel eens de genadeklap kunnen zijn voor herbestemming van een aantal kloosters en industriële complexen. Zonder monumentenstatus vervalt een belangrijke stok achter de deur. Open blijft of dit nu zo erg is. Het mogelijke verlies aan cultuurhistorische waarden valt te betreuren, maar van jarenlange herbestemmingsprojecten met weinig of geen succes wordt ook niemand blij. Misschien is het maar goed dat de Raad van State ergens een (financiële) grens stelt aan het behoud van erfgoed. Niet alleen voor de eigenaar van het complex, maar ook voor de goedbedoelende erfgoedliefhebber.
Johan Teters
Laatste berichten van Johan Teters (toon alles)
- Twee deskundigen, twee meningen - 4 september 2017
- Onbestraft verwaarlozen en vernielen - 6 juni 2017
- Landschappen als beschermd dorpsgezicht? - 20 april 2017
