Een volk van eigenwijze nationalisten

CC0
Amsterdam in 1890 Foto: onbekend

In de negentiende eeuw verstevigde Nederland, net als veel andere Europese landen, haar nationale identiteit. Anne Petterson beschrijft hoe ‘het gewone volk’ in Amsterdam de vaderlandslievende gevoelens iets anders uitte dan de elite had gehoopt. Promotie op 24 januari.

De negentiende eeuw staat in Europa bekend als de eeuw van de natievorming. Zo gingen verschillende kleine staatjes in 1861 op in het nieuwe land Italië, en verenigden losse deelstaten zich tien jaar later in het Duitse Keizerrijk. En al bestond Nederland al aanzienlijk langer, ook in ons land werd de nationale identiteit in die jaren stevig opgepoetst.

‘Het gewone volk’
Historici weten grofweg hoe de Nederlandse elite in die tijd uiting gaf aan hun vaderlandslievende gevoelens. Veel minder is bekend over ‘het gewone volk’, want de meeste historische bronnen gaan immers over de rijken en machtigen van het land. Promovendus Anne Petterson onderzocht nu hoe Amsterdamse dienstmeisjes, schoenmakers en schooljongens hun nationalisme toonden. Dat deed ze door onder meer kranten, briefjes aan het gemeentebestuur, politierapporten, foto’s en film te bestuderen.

Opstandsverleden
‘Uit mijn onderzoek blijkt dat de gewone Amsterdammers hun nationalisme baseerden op grofweg dezelfde thema’s als de elite,’ zegt Petterson. ‘Verhalen over het roemruchte opstandsverleden tegen de Spanjaarden en de rijkdom van de Gouden Eeuw speelden bijvoorbeeld een belangrijke rol. En ook het populaire koningshuis leende zich natuurlijk voor het creëren van een wij-gevoel.’

Banale motieven
Maar daar houdt de gelijkenis met de elite ook wel op. Het volk vierde de nationale identiteit op een andere wijze dan de elite voor ogen had. Aan de meeste festiviteiten lagen geen hoogdravende, maar juist vrij banale motieven ten grondslag. Zo was Prinsessedag vooral een mooie gelegenheid om lol te trappen, net als Koningsdag nu. En de Oranjefeesten werden vaak aangegrepen om de eigen straat mooier te versieren dan de straat verderop. De machtigen des lands – die hoopten dat het nationalisme een beschavende werking zou hebben op het gewone volk – kwamen bedrogen uit.

Oranjefurie
Een enkele keer liep de liefde voor het vaderland zelfs flink uit de hand. Petterson: ‘Neem bijvoorbeeld de Oranjefurie van 1887. Toen gingen Oranjegezinde burgers op de vuist met socialisten, die zij als een bedreiging voor de monarchie zagen. Zij sloegen winkelruiten kapot en vernielden een café op het Waterlooplein. Dat was natuurlijk niet het goede burgerschap waar de elite op hoopte. Het volk liet haar nationalistische gevoelens niet gemakkelijk kanaliseren.’

Geen geld maar kogels
In andere gevallen zette het volk zelf de vaderlandslievende acties op touw. Dat bleek tijdens de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika (1880-1902). Nederlanders beschouwden de Afrikaner Boeren – die tegen de Britten vochten – als stamverwanten die hulp nodig hadden. ‘Caféhouders plaatsten een collectebus op de toog, en er werden zelfs plannen gemaakt om tol te heffen bij de ingang van de Amsterdamse Kalverstraat,’ zegt Petterson. ‘Een enkeling riep zelfs op om kogels te sturen, in plaats van geld.’ En de elite? Die kon slechts toekijken.