Zuidlarense schat met middeleeuwse muntjes blijkt waardevoller dan verwacht 

Foto: J.R Beuker

De muntschat die in 1928 in Zuidlaren werd ontdekt, werd lange tijd beschouwd als niets bijzonders: duizenden munten die gezamenlijk nog geen middeleeuwse tien gulden waard waren. Toch bleek het bij recent onderzoek een ontdekking van aanzienlijke betekenis. 

Aanvankelijk werden deze munten als waardeloos beschouwd. Ze waren niet eens van zilver, laat staan goud. Jarenlang stond de muntschat van Zuidlaren bekend als, nou ja, niet erg opmerkelijk. De schat werd in 1928 door spelende kinderen gevonden in een berg zand tijdens de bouw van een psychiatrische kliniek in Zuidlaren, Drenthe. De vondst bestond uit ruim drieduizend munten, maar deze waren stuk voor stuk de kleinste betaaleenheden, eenzijdig geslagen uit bijna waardeloos metaal. 

Op dat moment was archeoloog Albert van Giffen conservator van het Provinciaal Museum van Oudheden in Assen, nu bekend als het Drents Museum. De vondst werd destijds bescheiden geregistreerd bij aankomst. 

Daarna was er nauwelijks enig onderzoek naar de munten. Er leek niets waardevols aan, aldus Vincent van Vilsteren, voormalig conservator archeologie van het Drents Museum tot 2018, en in die hoedanigheid een opvolger van Van Giffen. 

Een nieuwe blik op de munten 

Nadat Van Vilsteren zich na zijn pensioen alsnog in de muntschat verdiepte, ontdekte hij wat hij “vreemde verschijnselen” in de collectie noemt: vouwlijnen, barstjes en een muntprofiel dat zodanig was afgesleten dat het niet louter gewone slijtage kon zijn. Onlangs publiceerde Van Vilsteren een aantal artikelen over de muntschat. 

Van ongeveer duizend munten met een afbeelding van een tweekoppige adelaar werd altijd aangenomen dat ze in Groningen waren geslagen. Op zichzelf geen onlogische gedachte, gezien de vindplaats slechts 16 kilometer van de Martinitoren in Groningen ligt, waarin het stadswapen een tweekoppige adelaar voert. “Maar de Groningse adelaar heeft een schild, terwijl de munten een adelaar zonder schild tonen,” aldus Van Vilsteren. 

Een historische enthousiaste vondst 

Nader onderzoek onthulde dat de munten zonder schild uit Arnhem afkomstig waren, ook een stad met een tweekoppige adelaar in het wapen. Dankzij verbeterde locatiebepaling (de meeste andere munten bleken uit Oost-Nederland en aangrenzend Rijnland te komen) en datering (alle munten waren vóór 1572 geslagen), konden Van Vilsteren en zijn collega-onderzoeker Jan van der Wis plotseling aangeven waar de oorsprong van de Zuidlaarder schat lag. Het geld werd hoogstwaarschijnlijk tijdens de Beeldenstorm gestolen uit het offerblok van de Eusebiuskerk in Arnhem. 

Dit verklaart tevens de vouwlijnen, barstjes, beschadigde randen en het afgesleten profiel bij een deel van de collectie, aldus Van Vilsteren. Veel van deze munten zijn ooit gebogen geweest en later met een hamer weer rechtgeslagen. Het dubbelvouwen van offermunten was in de Middeleeuwen een religieus gebruik dat tot dusverre vooral geassocieerd werd met Engelse pelgrims. Wanneer iemand bad tot een heilige, offerde diegene een gekromd muntje. Deze verzamelde muntjes waren voor de kerk een bron van inkomsten. Het geld werd rechtgebogen (of in het geval van de Zuidlaarder schat: rechtgeslagen met een hamer) om opnieuw gebruikt te worden. 

Hoewel het buigen van offermuntjes in Nederland slechts één keer is beschreven, met betrekking tot één enkel muntje, gedocumenteerd in het Mirakelboek van ‘s-Hertogenbosch, gaat Van Vilsteren ervan uit dat dit gebruik veel wijdverspreider was dan tot nu toe werd aangenomen. “Zelfs in Zwitserland zijn rechtgeslagen muntjes gevonden,” zegt hij. “Het punt is dat grote vondsten van kleine muntjes zeldzaam zijn, dus er is niet zo heel veel onderzoeksmateriaal.” 

De symbolische betekenis van de muntschat 

De schijnbaar bijna waardeloze muntschat, ter waarde van omgerekend 9¾ gulden in middeleeuws geld, wat ongeveer overeenkomt met 150 euro nu, is bij nader inzien een stille getuige van het religieuze leven in de Lage Landen tijdens de Reformatie. Het onderzoek werpt licht op de handel in offers en aflaten binnen de rooms-katholieke kerk, een van de belangrijke kwesties die leidden tot de hervorming van de kerk, zoals door Maarten Luther. Dankzij de nauwkeurige tijds- en plaatsbepaling is het bovendien mogelijk om de schat terug te leiden naar een specifieke historische gebeurtenis – de beeldenstorm in de Eusebiuskerk in 1579. 

De meest waarschijnlijke verklaring is dat de dief of dieven zich uiteindelijk realiseerden dat het te gevaarlijk werd. Veel van de munten waren specifiek geslagen voor gebruik in de kerk, en het was voor mensen uit de Middeleeuwen waarschijnlijk direct herkenbaar dat ze uit Arnhem kwamen. “Het was gevaarlijk om met dit soort geld rond te lopen, want als je ermee werd betrapt, was meteen duidelijk dat je een beeldenstormer was. Het stelen van geld uit een offerblok werd destijds bestraft met de doodstraf. Ik denk dat ze er vanaf wilden zijn.”