Ordinaire stemmingmakerij vanuit Leidse Universiteit

Afbeelding bewerkt naar: Bakx en Jongma 2013, 12. J.P.L. Bakx en S.H. Jongma, Het grafveld van de Nieuwe Kerk in Delft, Archeologisch bureauonderzoek, Delftse Archeologische Notitie 30.

In het Reformatorisch Dagblad uitte Gerrit Dusseldorp al eerder zijn teleurstelling over de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot het in zijn ogen beperkte archeologische onderzoek dat straks plaatsvindt bij de aanleg van twee kelders onder de Nieuwe Kerk in Delft. Deze keer heeft hij de pen zelf ter hand genomen samen met Jelle Nijland. In het Engels op Leiden Law Blog. Waarschijnlijk om ook het buitenland te attenderen op de in zijn ogen schandalige manier waarop we hier in Nederland met ons erfgoed omgaan. De manier waarop beiden deze ‘casus’ verwoorden getuigt echter van weinig kennis, laat staan juridische kennis. Ook de stelligheid waarmee er wordt geschreven valt op. Vanuit een universitaire hoek zou je beter verwachten. Maar helaas. Ik zal dat hieronder toelichten.

Al bij de eerste zin van het artikel vliegen de heren uit de bocht. Deze luidt: The Nieuwe Kerk in Delft and its graveyard are of national importance. Inderdaad is de kerk zelf een rijksmonument, de grond onder de kerk is dat echter niet. De begraafplaats wordt dus niet door het rijk beschermd, noch door de provincie Zuid-Holland en is dus in juridische amz-termen niet meer, maar ook niet minder, dan van lokale betekenis. Dat Dusseldorp en Nijdam vinden dat de begraafplaats van nationale betekenis is, is heel iets anders dan te stellen dat de begraafplaats van nationale betekenis is. Nee, het is duidelijk: de heren doen niet aan stemmingmakerij. Laat ik het in dat kader dan ook maar niet hebben over hun omschrijving van één van de kelders als ‘cellar-party’.

Vervolgens rept het artikel over het verloren gaan van naar schatting 2000 graven. Dit getal blijft vooralsnog een schatting en er moet niet gek worden opgekeken als blijkt dat er uiteindelijk 1/8ste van de geschatte 2000 graven wordt aangetroffen. En ook in dit artikel wordt weer de suggestie gewekt dat er ‘maar’ € 300.000,- beschikbaar is voor opgravingen. Dat is dus niet het geval: in totaal is € 700.000,- beschikbaar en de hele vindplaats onder kelder 2 wordt opgegraven. Maar zoiets vermeldt je natuurlijk niet als je een pamflet schrijft.

Vervolgens komen Dusseldorp en Nijland tot de kern van de zaak. ‘The municipality then decided to forego their own requirements for archaeological research and granted a building permit’. De gemeente ging dus voorbij aan haar eigen eisen ten aanzien van archeologisch onderzoek. En hier begint stemmingmakerij. Want welke eisen heeft de gemeente dan op papier gezet als het gaat om haar eigen archeologisch onderzoek? Die eisen bestaan helemaal niet!!!. Ik snap wel wat hier wordt bedoeld, namelijk de eisen en opvattingen van de eigen gemeentelijke archeologen. Dat klopt, daaraan is uiteindelijk op een ander niveau aan voorbij gegaan. Maar daar ligt natuurlijk wel de crux van de hele casus. Archeologen, net zo goed als planologen of milieudeskundigen zijn uiteindelijk gewoon adviseurs. Of archeologen dat nu leuk vinden of niet, zij geven ‘slechts’ advies. Zij stellen volgens hun eigen opvattingen en normen en waarden een advies op hoe archeologisch onderzoek zou moeten plaatsvinden. Dat is hun taak en dat gebeurt ook overal in Nederland. Maar dat neemt niet weg dat op een ander, vaak meer bestuurlijk/politiek niveau in een gemeente, er anders over dat advies mag worden gedacht. Een advies is geen wet van meden of perzen en staat ook niet in marmer gebeiteld. En wat is hier in Delft nu gebeurd? Juist ja: er is archeologisch advies uitgebracht en in de vergunningprocedure is hier van af geweken. Gemotiveerd en wel. Dat noemen we de beleidsvrijheid van de gemeente. En hier mogen gemeenten gebruik van maken. Maar waarom lees ik daar niks over in dit artikel? En dan mag je natuurlijk in alle toonaarden schrijven en beargumenteren waarom je vindt dat de gemeente een verkeerd besluit genomen heeft. Maar nee hoor, niks daarvan. De gemeente (alsof een gemeente één organisatie is of één persoon) ging voorbij aan haar eigen eisen. Ja, als je dat het buitenland of andere geïnteresseerden wilt laten geloven lijkt het net alsof je een goede zaak verdedigd en hier sprake is van groot onrecht!

Dat is hier niet het geval en in het vervolg van het artikel geven Dusseldorp en Nijland al zelf aan welke kant de wet – en de uitleg van de wet – niet op moet. Ze beklagen zich – en daar heb ik al meerdere archeologen over gehoord – over het feit dat de Raad van State geen archeologische inhoudelijk oordeel heeft uitgesproken over deze kwestie. Om in hun woorden te spreken: the Council of State did not rule on what archaeological work is minimally required. Nee dat heeft de Raad van State niet gedaan en dat is verstandig. De Raad van State is immers geen archeologische instantie en moet dus ook niet op de stoel van een archeoloog gaan zitten. Wel heeft de Raad het hele proces – inclusief een alternatief – gewikt en gewogen en heeft geconcludeerd dat de gemeente Delft zorgvuldig heeft gehandeld.

Als de Raad van State wel in de beleidsvrijheid van de gemeente Delft was getreden- u doet uw archeologische werk niet goed gemeente Delft! – dan zou daarmee de bestuurlijke verantwoordelijkheid van gemeenten zijn uitgehold en zou uiteindelijk niet de politiek en het bestuur besluiten wat er dient te gebeuren op het terrein van de archeologische monumentenzorg maar zouden adviserende archeologen en actievoerende oudheidkundige en archeologische werkgroepen het (archeologie)beleid van gemeenten bepalen. En wat te denken van het gevaar dat straks allerlei Programma’s van Eisen zouden worden aangevochten en waarbij er wordt geroepen: Raad, mag het een onsje meer zijn? Dat is glad ijs waarop de Raad zich terecht niet heeft begeven.

  1. Op dit betoog valt ook wel een en ander aan te merken. In de eerste plaats zou de toon wat minder kunnen, want nu vind ik het ‘stemmingmakerij’ argument een beetje gratuit. De term ‘party-cellar’, of liever gezegd het (min of meer) Nederlandse equivalent ‘partykelder’ is al veel eerder in het proces door verschillende partijen gebruikt en dus niet hier geïntroduceerd om stemming te maken. Dat het bij de genoemde 2.000 graven om een schatting gaat werkt natuurlijk twee kanten op; het kunnen er net zo goed 3.000 zijn. Om dat als argument te gebruiken om te vergoelijken dat er maar € 300.000 voor het onderzoek beschikbaar is, is tendentieus.

    En het is inderdaad maar € 300.000, want u bent vergeten om in uw repliek te melden dat die € 700.000 die u niet voor het eerst opvoert, de totaalsom van twee geheel gescheiden onderzoeken zijn, in twee verschillende kelders, en voor twee verschillende opdrachtgevers. Die € 400.000 is de opdrachtsom voor de opgraving ten behoeve van de uitbreiding van de grafkelder van de Oranjes, in opdracht van het Rijk. Dat staat geheel los van de geplande ‘partykelder’ en de graven aldaar, die de verantwoordelijkheid zijn van de Protestantse Kerk Delft.

    Een gemeente heeft inderdaad het recht om, mits goed gemotiveerd, een advies van haar archeologische dienst of andere adviseurs naast zich neer te leggen. Maar de gemeente schiet juist in die motivatie tekort omdat zij zich heeft laat leiden door de positie van de PKN, die op een gegeven moment aangaf dat ze niet bereid zijn om meer dan € 300.000 te betalen voor archeologisch onderzoek. De gemeente heeft toen halverwege het proces haar motivatie aan die stelling aangepast, hetgeen aantoonbaar is door het bestaan van twee verschillende Programma’s van Eisen, één van voor, en één van na de koerswijziging van de gemeente. Dus of het om groot of klein onrecht gaat, de gemeente heeft wel degelijk, onder druk van een verstorende partij, een loopje met haar eigen beleid en met de Erfgoedwet genomen. Daarin is namelijk nadrukkelijk opgenomen dat de hoge kosten van archeologisch onderzoek juist moeten dienen als een rem op het opgraven van archeologisch erfgoed. Dat is niet hetzelfde als deze hoge kosten als doorslaggevend argument gebruiken om beleid aan te passen. Want dat is, hoe mooi het ook in jargon verpakt is, wat hier is gebeurd.

    Het is in die zin buitengewoon kwalijk te noemen dat de Raad van State niet naar de inhoudelijke kant van de zaak heeft gekeken. Inderdaad is de RvS geen archeologische instantie, maar als zij bijvoorbeeld kennis had genomen van de verschillende inhoud van deze twee PvE’s, en het moment in het proces waarop deze wijziging is opgetreden, dan had zij dat, zonder dat daarvoor inhoudelijke, archeologische kennis noodzakelijk is, wel in haar oordeel mee gewogen. Dan was de uitspraak wellicht anders uitgevallen.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

We hebben zorg genomen om alle rechthebbenden voor hier gereproduceerde foto's te traceren, soms evenwel zonder succes. Iemand die in dit opzicht meent rechten te hebben wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen met de redactie van de Erfgoedstem.